Het melkveebedrijf van Jan Dirk van de Voort en zoon Peter in Lunteren is stap voor stap getransformeerd van intensief gangbaar naar biologisch en zo dicht mogelijk bij de natuur blijven. De koeien hebben hoorns en eten, in de jaarlijkse 4.400 uren aan weidegang, vrijwel alleen maar gras. De kalfjes lopen bij de moeder en de kringloop bodem-gras-koe-mest-worm doet op bijna volmaakte wijze zijn werk op de boerderij, niet gehinderd door welk onnatuurlijk middel van buitenaf dan ook. Hun bijzondere verhaal komt terug in de smaak van de rauwmelkse Remeker-kaas.

Jan Dirk van de Voort kwam eind jaren ’70 van school. In zijn landbouwopleiding lag de focus op maximale productie met hoge input. Toen hij na de opleiding op de boerderij kwam werken en samen met zijn vader het bedrijf vorm ging geven, verdubbelen ze de veestapel naar 130 Jersey’s. Z’n vader was een groot Jerseyliefhebber en de eerste boer in Nederland die met het ras ging werken. Na een paar jaar intensief boeren met hoge kunstmestgiften, veel krachtvoer en hoge melkproductiecijfers, bracht de manier van werken Van de Voort geen voldoening meer. ‘Ik besloot minder intensief te gaan melken en van onze Jerseymelk, die zich in kleur, smaak en samenstelling onderscheidt van gangbare melk van zwartbonte koeien, rauwmelkse kaas te maken.’

Zoektocht naar perfecte kaas

Jan Dirk en Peter van de Voort kijken met tevredenheid naar de kazen

Van de Voort begon klein, alles handmatig en met eenvoudige, geleende kaasapparatuur. Met eindeloos experimenteren zocht hij zeker tien jaar lang naar een eigen recept dat past bij de rijke Jerseymelk met hoge vet- en eiwitgehaltes. Net zolang totdat de kaas zijn eigen karakteristieke smaak had. De kaasproductie professionaliseerde en de verkoop groeide: steeds meer melk ging in de eigen kaas, steeds minder naar de zuivelcoöperatie. Ondertussen maakte ook het melkveebedrijf stappen.

Begin jaren negentig schakelden ze om naar een biologische bedrijfsvoering. Een goede stap: de biologische winkels waardeerden de kaas dusdanig dat ze het lidmaatschap van hun melkcoöperatie konden opzeggen. Alle melk ging nu in de Remeker-kazen, die hun weg vinden naar met name horeca- en kaasspeciaalzaken in Nederland, Duitsland en België. De kaas ontleent z’n naam aan de eeuwenoude houtwal rondom een perceel bij de boerderij.

Koeien zeggen: goed bezig

Veel kaasmakers zouden tevreden zijn met het bereikte resultaat. Niet Jan Dirk van de Voort. Hij wilde doorontwikkelen naar een nog veel natuurlijkere manier van werken. ‘We hebben ons bedrijf in 2004 compleet omgegooid, te beginnen bij de koe’, kijkt hij terug. In dat jaar kwam zijn toenmalige vrouw Irene in het bedrijf. ‘Dat werkte behoorlijk verfrissend.’ Samen besloten ze te stoppen met het gebruik van antibiotica bij ontstekingen van dieren. ‘Ondanks dat we al vijftien jaar biologisch werkten, hadden we nog regelmatig uier- en klauwontsteking bij de koeien en soms longontsteking bij de kalveren. Iedereen die betrokken was bij ons bedrijf was benieuwd hoe we dit voortaan zonder antibiotica zouden oplossen.’

Winst van 60 cent per kilo melk

 

De Groote Voort is een biologische boerderij en met 73 hectare grond en 95 melkkoeien. De melkproductie ligt rond de 5.000 liter melk per koe per jaar met 5,8% vet en 4,35% eiwit. Alle melk gaat in de Remeker-kazen, die via horecabedrijven, kaasspeciaalzaken en webshopverkoop hun weg naar de consument vinden. Op het bedrijf zijn 6 fte-medewerkers werkzaam. Het bedrijf realiseert een melkprijs van € 2,30 per liter melk. Onderaan de streep, wanneer de kosten van de boerderij en kaasbereidingsactiviteiten worden afgetrokken, verdient de ondernemer zo’n 35 cent per liter melk. In goede jaren is dat ruim 60 cent.

Ze begonnen met de koeien alleen nog voer aan te bieden dat in de pens wordt afgebroken. Concreet betekende dit geen snijmais en krachtvoer meer in het rantsoen, enkel nog grasproducten. De melkproductie zakte met 30% alarmerend. ‘Dat was voor onze medewerkers erg moeilijk te accepteren: de kaascharges werden beduidend kleiner. Maar de koeien lieten in alle talen weten: je bent goed bezig. De ontstekingen liepen terug en de dieren werden veel actiever’, vertelt Van de Voort. Hij vervolgt: ‘De beste spiegel is de koe zelf. Door grasproducten te voeren, krijg je mooi verteerde mest die naar gras ruikt en als een zalfje aan je vingers blijft hangen.’

Stoppen met onthoornen

Het antwoord van de koeien stimuleerde om nóg natuurlijker te gaan werken. De vaarskalveren mochten voortaan de eerste drie weken bij moeder blijven. ‘Het is onze overtuiging en inmiddels ook ervaring dat dit de dieren meer weerstand geeft.’ Ook stopten ze volledig met onthoornen, in de vaste overtuiging dat hoorns op diverse manieren een belangrijke rol spelen in zowel de algehele gezondheid als de spijsvertering. ‘Op De Groote Voort, zoals onze boerderij heet, merken we dat gehoornde dieren de wisselingen in het weer beter kunnen hebben en daardoor ook makkelijker omgaan met de wisselende samenstelling van het gras. Daarnaast hebben we geen klauwproblemen meer.’

Hij is er van overtuigd dat de hoorns daarin een belangrijke rol spelen. ‘Omdat koeien maar ook ongeboren kalveren mineralen uit de hoorns halen in plaats van uit de klauwen. 1 op de 3 koeien in de Nederlandse melkveehouderij wordt weg geselecteerd om klauwproblemen. Dat is makkelijk op te lossen als we koeien voortaan hun hoorns weer laten houden.’

Vader en zoon: ‘Je hele bedrijfsvoering moet veranderen, wil je het redden zonder antibiotica.’

Een andere stap die ze namen was het stoppen met insecticiden en wormmiddelen. In hun zoektocht om ook die de deur uit te doen, kwamen ze uit bij kruidenman Hubert, net over de grens in Duitsland. ‘We zijn de koeien gaan voeren met een mengsel van ongeveer 40 verschillende soorten kruiden. De kruiden zorgen ervoor dat wormen zich niet goed ontwikkelen in de dieren. En ze ondersteunen de lever, zodat onze koeien er door een goed werkend immuunsysteem zelf in slagen om ziektes af te weren’, vertelt de melkveehouder annex kaasmaker.

4.400 uren weidegang

Om problemen met gehoornde dieren te voorkomen, bouwden ze de ligboxenstal om tot een ronde potstal. Daar zijn de koeien het grootste deel van het jaar overigens niet te vinden. Half maart al gaan ze naar buiten om te weiden. ‘Na tien dagen hebben ze voldoende bacteriën in de pens die het verse gras kunnen verteren, zodat ze dan al de stap kunnen maken naar 100% vers gras’, vertelt Van de Voort. De koeien krijgen jaarlijks zo’n 4.400 uren weidegang op een areaal van 35 hectare. Hij past het Duitse beweidingssysteem van Kurzrasen toe: begrazen op een hoogte van 4, maximaal 5 centimeter.

‘Wij geloven dat de graskwaliteit met dit systeem beter is, omdat zonder stengelvorming de energie-inhoud van het gras hoger is. Je moet wel koeien fokken die 100% gras aankunnen. Wij hebben dat gedaan door vanuit onze oudste dieren, die bewezen hebben dat ze ons systeem aankunnen, stieren aan te houden.’ In de winter krijgen de koeien een kleine hoeveelheid geplet graan, kuilvoer en hooi.

Voorbeeldbedrijf is piekbelaster

 

Het is bijna niet voor te stellen dat dit melkveebedrijf staat aangemerkt als piekbelaster. ‘Het is volslagen krankzinnig, toch was dat de uitkomst van de Aerius Check’, zegt Jan Dirk van de Voort. Het bedrijf zit op 2,5 kilometer van de Veluwe, waar de drempelwaarde 2.500 mol is. Hun bedrijf komt volgens de modellen uit op 5.020 mol. De melkveehouder is ervan overtuigd dat zijn bedrijf met de kleinere Jersey-koeien, een potstal, bijna oneindige weidegang en geen aanvoer van kunstmest en krachtvoer veel minder stikstof uitstoot dan is berekend. Het probleem is dat de Aerius Check deze aanpak niet honoreert. ‘Eigenlijk doen wij alles wat de overheid graag wil en toch loop je nu rond met dit stempel.’ Hij wil zich er niet druk om maken en denkt dat metingen uiteindelijk zijn gelijk zullen bevestigen. ‘Vervelend blijft het wel.’ 

Het land rond de boerderij bestaat uit grasland dat al 33 jaar niet meer geploegd is. De koeien brengen de mest zelf naar het land en roeken trekken de mestflatten uit elkaar, op zoek naar mestkevers. ‘Ik hoef geen weidesleep meer.’ De echte sleutel naar succesvol graslandmanagement zijn volgens de melkveehouder de op het oog bijna niet zichtbare schimmeldraden die als een ingenieus netwerk over zijn landerijen lopen: mycorrhiza. Dit schimmelnetwerk van draden wordt ook wel het internet van de bodem genoemd en zorgt voor een uitwisseling van suikers en mineralen door heel het grasland.

‘Het bijzondere van mycorrhiza is dat het fosfaat kan mobiliseren en voeren aan je gras. Daardoor hoef ik geen fosfaat meer te gebruiken om toch 10 ton drogestof per hectare van mijn land te halen. Jaarlijks 8 ton potstalmest in januari en eens in de drie jaar 1,5 ton steenmeel is voldoende om op 35 hectare tot die grasproductie te komen’, vertelt hij.

Ooit was Jan Dirk van de Voort de boer met een van de hoogste producties per koe in de Gelderse Vallei. Hij bracht tonnen fosfaat, kali en stikstof over het land. Nu moet hij er niet meer aan denken. ‘Elk middel dat ingrijpt in de natuur is er eigenlijk een te veel. Pas als je stopt met input van buiten, komt de bodembiologie op gang en je melkveebedrijf in een steeds sterkere, natuurlijke kracht.’ Metingen wijzen uit dat naast kevers en wormen ook de bacteriën en schimmels in de bodem flink zijn toegenomen, evenals het humusgehalte door koolstofvastlegging. Hij ervaart het dagelijks. ‘Storende lagen zijn er amper meer. Pendelende wormen hebben ze verbrokkeld. Daardoor wortelen onze grassen dieper en trotseren ze steeds vaker de droogte. En als het nat is, blijft er geen water op het land staan.’

Verhaal komt terug in de kaas 

Dit hele verhaal proberen Jan Dirk en Peter van de Voort te vertalen in een kaas die zich qua smaak duidelijk onderscheidt. ‘De kringloop bodem-gras-koe-mest-worm doet zijn werk op onze boerderij. Het zorgt voor een rijke bodem vol met wormen, schimmels, gisten en bacteriën die bedrijfsspecifiek zijn. Wij noemen dat ‘homefield advantage’, het thuisvoordeel. Ze zijn gewend aan de eigen kringloop en zullen mest uit een andere kringloop niet goed kunnen omzetten, omdat ze die niet herkennen.’ Via de spenen van de melkkoeien reizen de schimmels, bacteriën en gisten mee naar de melk, waardoor de bedrijfsspecifieke weer terug komt in de smaak van de kazen. 

‘De kringloop bodem-gras-koe-mest-worm doet zijn werk op onze boerderij.’

Ook het boerenkaas maken doen ze anders dan anderen. ‘De melk van onze koeien voor de kaasbereiding wordt niet verhit en wij verhitten de wrongel ook niet. De temperatuur van de melk en de wrongel komt niet boven de lichaamstemperatuur van de koe: 38 graden Celsius. Daardoor blijven de micro-organismen in tact. Daarna snijden we de wrongel erg fijn, zoals bij bergkaas.’

‘De kringloop bodem-gras-koe-mest-worm doet zijn werk op onze boerderij.’

Op de kaas komt geen houtlijm meer als coating, zoals gebruikelijk is in de boerenkaaswereld, maar een natuurkorst. ‘In kaaswei zit nog 10% van het oorspronkelijke vet. Dat halen we er met een centrifuge uit. Van deze room maken we boter en van deze boter maken we ghee, dat is zuiver melkvet waarmee we de kazen insmeren.’ Ook komen ze binnenkort met een bier op de markt, dat wordt gebrouwen op basis van wei.

Puzzelstukjes op hun plek

Zijn eigenwijsheid om uit gestroomlijnde systemen te stappen en zijn gevoel te volgen bracht het bedrijf een paar keer aan de rand van de afgrond. Het kostte bakken met geld. Productief raaigras verdween, witbol kwam. Toen ze stopten met vaccineren, legden veel kalveren het loodje. En voortdurend was er druk van de buitenwereld, die zich openlijk afvroeg waar ze op De Groote Voort toch in hemelsnaam mee bezig waren. Maar geleidelijk vielen steeds meer puzzelstukjes op hun plek.

‘Je hele bedrijfsvoering moet veranderen wil je het zonder antibiotica redden. We hebben onze koeien zien veranderen tot blije koeien en tegelijkertijd een heel andere kwaliteit melk gekregen. Bovendien geeft de huidige manier van boeren ons een heel goed gevoel, maar ook een beter inkomen.’ Hij is nu zover dat hij volledig vertrouwt op de kracht van de natuur. ‘Natuurlijke duurzaamheid noemen wij onze manier van werken en dat leggen we graag uit aan iedereen die onze boerderij een keer wil bezoeken. Het is nog steeds niet klaar, maar we zijn wel een heel eind op weg.’

Dit artikel verscheen eerder ook in Agrarisch Magazine 2024 dat als printeditie begin 2024 onder melkveehouders en akkerbouwers is verspreid.

Vorig artikelStudiereis naar Noord-Frankijk; meld je hier aan
Volgend artikelLandbouwsector moet slimmer gaan acteren