Staat FrieslandCampina onder grotere financiële druk dan de onderneming aan kan? Valt wel mee, stelt de leiding. Een groeiend aantal leden is er echter totaal niet gerust op. Bij hen zakt het vertrouwen steeds verder weg. Waar het aan schort is de communicatie.

Het rommelt bij FrieslandCampina (RFC). En dat is geen nieuws. Al zeker drie jaar lukt het Nederlands grootste zuivelcoöperatie niet om goede financiële resultaten te realiseren.
Volgens de top van directie en bestuur is dat overdreven gesteld. Zij spreken liever van een ‘zakelijk uitdagende omgeving’. Daarin hebben ze wellicht gelijk. Het kan best zijn dat het minder slecht gaat met RFC dan menig lid denkt en zijn of haar collega’s vertelt op een feestje, het voetbalveld of aan de keukentafel. Hoe dan ook, het beeld dat momenteel
beklijft is dat RFC het niet lekker aan het draaien heeft en krijgt. De 85 ledenbijeenkomsten verliepen dit najaar op veel plekken dan ook erg rumoerig.
Een groep leden uit Twente die een brief opstelde met kritische punten
kreeg binnen enkele weken 2.800 ondertekeningen terug. Het schetst de
omvang van het wantrouwen.

Dat er zoveel wantrouwen heerst is ergens ook niet zo vreemd. In amper een paar jaar tijd is er ook nogal wat gebeurd bij en rond RFC. Naast het plan om minder melk te mogen leveren op straffe van een dubbeltje korting valt te denken aan: tegenvallende resultaten
in China en Pakistan; afstoten van een eigen mozzarellafabriek; een negatievere beoordeling qua kredietwaardigheid; de verkoop van CSK en Riedel; de uitrol van Planet
Proof waar lang niet elk lid in directe zin van kan profiteren; voorstellen tot deels
bovenwettelijke koemonitor en koealert en het voorstel tot aanpassing van de
garantieprijssystematiek.

Het wantrouwen bij melkveehouders wordt verder gevoed door verschillende
al langer durende problemen in meerdere productielocaties waaronder Borculo, Workum en Beilen. Daarnaast is in de wandelgangen, ook binnen de onderneming, gemor over de uitloop van veel zuivelkennis. Dit was eerder al een kritische noot die vaak te horen viel. De afgelopen jaren verlieten verschillende hooggeplaatste ervaren managers en directeuren de
zuivelonderneming. Meest recente en bekendste van hen is waarschijnlijk Jan Bles die zelf ontslag nam en per 1 april 2020 officieel uit dienst treedt. Geen van deze werknemers wil ook maar iets zeggen over de reden van het vertrek en hun visie op de huidige stand van
zaken bij RFC.

Garantieprijs

Op de recent gehouden ledenbijeenkomsten dit najaar ging het toch vooral over de
voorgestelde aanpassing van de garantieprijssystematiek. Door alle toeslagen die referentiefabrieken de laatste twee jaar in toenemende mate uitbetaalden, is de garantieprijs te luxe geworden en verdient deze een aanpassing. Eerdere berekeningen
schetsen een verlaging van € 0,89 per 100 kilo in 2020 ten opzichte van 2018 op de garantieprijs. Dit geld komt dan ten goede aan de winst van FrieslandCampina. Van die
extra winst komt 35 procent in de vorm van een prestatietoeslag en 10 procent in de vorm van ledenobligaties terug bij de leden. Vertaal je deze aanpassing van het melkgeldregelement naar de cijfers van 2018 dan betekent dit dat er van de daling indirect € 0,39 per 100 kilo via de nabetaling alsnog bij de boeren komt. Netto komt de daling in
melkgeld op basis van de cijfers van 2018 dan neer op € 0,50 per 100 kilo melk. Dit voorstel stuitte echter op zoveel verzet dat het hoofdbestuur zich
genoodzaakt voelde hier opnieuw naar te kijken.

DISTRICTSRADEN
‘EISTEN’ VAN
HOOFDBESTUUR
WATER BIJ DE WIJN
TE DOEN

Veel leden denken dat de top van RFC deze aanpassing aangrijpt om de financiële problemen van de onderneming te camoufleren. Volgens ledenraadslid Gerben Smeenk uit
Makkinga, voorzitter van district 5, is dat niet het geval. Wel ervaart hij een
tweedeling onder de leden. Een deel heeft vertrouwen in de onderneming en bestuurders en een deel zit vol wantrouwen. Smeenk stelt dat een deel van de leden alle moeizame dossiers en tegenvallers bij elkaar optelt om vervolgens de conclusie te trekken dat
het wel dramatisch moet gaan met RFC. ‘Waar het echter aan schort is goede communicatie. Het lukt de top van RFC en ons als ledenraadsleden maar niet om duidelijk te maken waarom er welke keuzes worden gemaakt en wat het belang daarvan is
voor de onderneming.’

Smeenk vertelt dat communicatie ook het hoofdthema was op het voorzittersoverleg met het hoofdbestuur eind november. ‘Er gebeurt zo ontzettend veel. Als ledenraadsleden worden wij continu gevoed met informatie en blijven we goed op de hoogte. De andere leden krijgen veel minder informatie. Sterker nog; grotendeels spreken we die slechts tweemaal per jaar drie uurtjes in een grote drukke zaal tijdens een ledenvergadering. En dan is er ook nog zo’n 40 procent die bijna nooit op een ledenbijeenkomst komt. Dit moet echt anders en beter. Daarover is iedereen binnen hoofdbestuur en ledenraad het
inmiddels wel eens. We denken daarbij aan meerdere huiskamergesprekken of georganiseerde 1 op 1 gesprekken met melkveehouders’, vertelt Smeenk. ‘Met
meerdere voorzitters uit de ledenraad zijn we zo ook het gesprek aangegaan
met de kritische Twentse boeren. Dat heeft meteen veel kou uit de lucht gehaald. Dergelijk inzet kost veel tijd, maar het moet wel. Te vaak en te veel gaat het qua communicatie de laatste jaren echt niet goed.’

‘COMMUNICATIE
MET DE LEDEN MOET
ECHT ANDERS EN
BETER’

Vet verwaarding

Melkveehouder Jan Schouten uit Kantens is ook kritisch lid en leverancier van FrieslandCampina en volgt de coöperatie intensief. Vorig voorjaar liet hij samen met zes Groninger collega’s van zich horen onder de noemer ‘Het Vrije Coöperatieve woord’. Zij spraken zich toen nadrukkelijk uit tegen het melkvermindersplan van RFC. De groep diende een alternatief plan in, sprak met bestuurs- en directieleden, maar kreeg de voorstellen niet gerealiseerd. Schouten daagde het RFC-bestuur vorig jaar uit om meer ondernemerschap te tonen. Dat doet hij nog steeds. Toch hielden hij en de andere groepsleden zich dit jaar stil in de publieke discussie over FrieslandCampina. ‘Het is helder
dat FrieslandCampina momenteel wat krapper bij kas zit. Dat is heel vervelend, maar hoeft geen ramp te zijn. Ik denk dat het in het belang van de coöperatie is om de directie nu juist de tijd en ruimte te bieden tot betere resultaten te komen.’

Tegen de aanpassing van de garantieprijs heeft Schouten geen bezwaar. ‘Als uit de analyse blijkt dat de toeslagen betaald door andere fabrieken enorm zijn opgelopen, moet je de systematiek herijken. Het is niet fair richting de directie dat de onderneming in basis een te hoge prijs moet betalen voor de melk.’ Daarmee is de kous echter niet af voor Schouten. Hij wil een volledige analyse van de opbouw van de garantieprijs. Dat betekent ook kijken
naar de verhouding in uitbetaling op vet- en eiwitgehalte bij de andere zuivelondernemingen in het mandje voor de garantieprijs.
‘FrieslandCampina betaalt uit op
basis van eiwit, vet en lactose in de verhouding 10-5-1. Andere fabrieken betalen niet voor lactose en hebben de verhouding in de uitbetalingsprijzen aangepast omdat vet de laatste jaren duidelijk meer waard is in de markt.’
De situatie die Schouten schetst, klopt. Arla Foods bijvoorbeeld is één van de referentiebedrijven van RFC. Arla betaalde in december 2019 in Zweden en melkprijs
uit waarbij voor vet 41 Kronen werd betaald en voor eiwit 45 Kronen. In december 2015 lag deze verhouding nog op 28 Kronen voor vet en 43 voor eiwit. ‘Dat referentiebedrijven aansluiten op de markt en RFC op dit punt niet, maakt voor ons veel verschil. Ik kan beter een melkprijs van 35 cent krijgen bij de huidige verhouding die Arla hanteert dan bij een 10:5:1 verhouding. Een kilo melkeiwit produceren is immers duidelijk duurder dan een kilo melkvet. De markt en uitbetalingsverhouding zijn veranderd en de boeren die leveren
aan de referentiebedrijven hebben daar kostprijsvoordeel van. Als je de analyse maakt over een eerlijke opbouw van de garantieprijs, moet je dit punt volgens mij ook meenemen. De garantieprijs hoort immers een afspiegeling te zijn van de markt, zo zijn de afspraken.’

Uitbetalingsystematiek

FrieslandCampina licht bij monde van directeur Coöperatieve Zaken Robbert Rothkrantz toe dat de reëel betaalde vet- en eiwitprijzen wel verwerkt worden in de garantieprijs. ‘Elke maand kijken wij naar de werkelijk kiloprijs voor vet en eiwit die de referentiebedrijven
uitbetalen. Die worden omgerekend naar onze standaardgehalten. Gaat de prijs bij een referentiebedrijf voor vet omhoog en voor eiwit omlaag, dan wordt dat dus beslist meegewogen’, stelt Rothkrantz. Vervolgens kiest RFC er echter inderdaad voor uit te betalen op basis van de 10:5:1 verhouding voor respectievelijk eiwit, vet en lactose.
‘Dat is een heel bewuste keuze omdat die verhouding het beste aansluit bij ons productportfolio en de hoogste toegevoegde waarde levert voor onze leden’, zegt Rothkrantz. ‘FrieslandCampina verdient veel meer aan eiwit uit de melk dan aan vet. Dat
staat los van het feit dat vet nu goed wordt betaald in de markt. Met deze verhouding richting uitbetalingsprijs willen wij melkveehouders stimuleren op een hoog melkeiwit te sturen. Daar kun je op tegen zijn, maar dit beleid is echt gekozen als het best passende
voor de onderneming.’

De omzet van de Campina-merken steeg sinds acht jaar weer eens door introductie van het PlanetProof.

Matige prestatietoeslag

Terug naar de financiële situatie. FrieslandCampina betaalt over 2019 een gemiddelde garantieprijs uit die net boven de € 35 per 100 kilo uitkomt (€ 35,16, LTO melkprijsvergelijking). Dit is iets lager dan de € 35,50 per 100 kilo over 2018 uit dezelfde
vergelijking. Met die daling valt RFC echter beslist niet uit de toon bij andere zuivelondernemingen in Nederland en omringende landen. Sterker nog, de meeste andere fabrieken laten over 2019 een grotere daling in de voorschotsprijs zien ten opzichte van
vorig jaar.
Eind februari 2020 weten we welke nabetaling er voor de leden van RFC nog bij komt. Gezien de duidelijke winstwaarschuwing van Hein Schumacher, met name aangaande
de onrust in Hongkong, lijkt een betere nabetaling dan de € 0,59 per 100 kilo in
2018 er sowieso niet in te zitten. Dat is opnieuw een matig resultaat, maar betekent nog steeds winst. Alleen veel minder dan leden in de recente geschiedenis gewend waren.
En de succesvolle introductie van PlanetProof dan? Daar pochen bestuur en directie nogal over. Gesteld wordt onder andere dat de verkoop van Campina-merkproducten onder het
PlanetProof-keurmerk afgelopen jaar 2 procent zijn gestegen. Een mooie opsteker na acht jaar van dalende omzet van het Campina-merklabel. De winst die hiermee wordt behaald,
is voor de totale onderneming echter gering’, zegt woordvoerder Jan-Willem ter Avest. ‘De grote omzetten en winsten komen niet uit het binnenland, maar moeten nog altijd komen uit markten als China en Hongkong.’
Waar zit de waarde van PlanetProof voor de onderneming en alle leden dan wel in? ‘Het helpt enorm in de herkenbaarheid op de thuismarkt. Daarnaast willen de eigen leden
logischerwijs ook graag een sterk eigen merk van hun zuivelbedrijf in de supermarkten zien liggen. Bovendien helpt alle winst natuurlijk wel mee aan een positief resultaat voor de
onderneming’, besluit Ter Avest.