De stikstofcrisis houdt de sector al ruim drie jaar in een stevige greep. Het maakt boeren terecht bezorgd en boos. Echter, stikstof is helaas niet het enige dat de komende jaren voor meer politieke en maatschappelijke druk zorgt. Om te kunnen blijven ondernemen, geldt dat nieuwe kansen niet meer louter gezocht moeten worden in het oude model.

De meeste melkveehouders krijgen deze maand een melkprijs van meer dan 60 cent per kilo melk uitbetaald. Dat is niet alleen een historisch record, maar ook een niveau dat nog geen jaar geleden onvoorstelbaar leek. Het is voor het eerst sinds jaren dat op een groot deel van de melkveebedrijven een fatsoenlijke winst wordt gedraaid.  De laatste jaren is door verschillende accountants reeds becijferd dat voor veel melkveebedrijven opbrengsten als deze ook broodnodig zijn. Zij hebben vaak de nodige achterstand in betalingen, onderhoud en herinvesteringen. Een aantal van hen houdt dat ook niet nog meerdere jaren vol. Een verdere terugloop van het aantal melkveebedrijven is, mede hierdoor, nog lang niet ten einde.
Dat laat onverlet dat de huidige opbrengstprijzen de melkveehouder momenteel veel financiële lucht verschaffen. Extra wrang is het dan ook dat we op ditzelfde moment van een sector in crisis spreken. Eén van de oorzaken daarvan is natuurlijk het stikstofdossier.
Verschillende melkveehouders in Noord-Nederland mogen denken dat de stikstofsoep niet zo heet wordt gegeten als die wordt opgediend, maar dat is te vroeg. Mediator Johan Remkes komt binnenkort vast met de nodige aanbevelingen naar buiten, maar niets wijst erop dat daarmee dé oplossing voor dit dossier voor de komende jaren binnen handbereik ligt. Nog los van de vraag of dé oplossing bestaat.
Daarbij komst dat er naast stikstof ook urgente vraagstukken liggen rondom thema’s als klimaat, water, luchtkwaliteit en biodiversiteit. De landbouw ontkomt er niet aan om zelf verder vooruit te kijken en op de uitdagingen van de toekomst proberen voor te sorteren.

Brede discussie nodig

Dat wetende maakt het extra belangrijk om in heel Nederland de discussie breed te voeren: hoe willen wij ons land inrichten en welke ruimte, in letterlijke en figuurlijke zin, blijven wij daarin geven aan de agrarische sector? Zo’n brede discussie is broodnodig, zeker voor er beleid in wetten wordt gegoten waar we later spijt van hebben.

‘Het voorbeeld van de VS met contracten voor twintig jaar kunnen wij overnemen’

De agrarische sector zou zelf niet de fout moeten maken te blijven hangen in de waan van de dag of vooral willen vasthouden aan het oude en bekende. Soms lijkt het daar wel op. Dat laatste uit zich onder andere wanneer er nieuwe plannen worden gepresenteerd vanuit vertegenwoordigers gelieerd aan de sector. Een voorbeeld hiervan is het recent gepresenteerde plan Toekomst zoek Boer. De auteurs zijn Cees Veerman, Alex Datema, Frans Keurentjes, Jan Willem Erisman, Jos Verstraten, Krijn Poppe en Willem Lageweg. Verschillende algemene media nodigden hen uit en bevroegen de heren, of een aantal van hen, inhoudelijk op hun voorstellen. Vanuit de eigen sector waren de reacties vooral mat van aard tot aan openlijke kritiek. Aard van die kritiek: het gaat om een groepje oude mannen die zich niet met de toekomst moeten bemoeien en het is belachelijk dat zij pleiten voor meer overheidsinvloed op de markt.

Dé boer bestaat niet

De goede melkprijs zorgt voor veel financiële lucht. Dat maakt het extra wrang dat de sector door het stikstofdossier toch in een crisis verkeert.

Dat pleidooi voor meer overheidsinvloed maken de opstellers inderdaad. Maar de auteurs van het rapport Toekomst zoekt Boer adresseren eerst een ander belangrijk punt: je kunt in de melkveehouderij niet meer spreken van dé boer. De verschillen tussen bedrijven, soms buren, zijn de afgelopen jaren duidelijk toegenomen en nemen in rap tempo verder toe.
In dit rapport wordt gesteld dat er op hoofdlijnen drie ontwikkelingsrichtingen zijn in de melkveehouderij: 1) Zichzelf steeds verder verbeterende hoogproductieve landbouw, waar aan emissie- en andere eisen en ecologische grenzen vooral tegemoet wordt gekomen met techniek, schaalvergroting of high tech en het inkomen vooral wordt behaald door voedselproductie tegen concurrerende prijzen voor internationale afzetketens op basis van schaalvoordelen. 2) Extensievere en/of natuurinclusieve landbouw waar inkomsten uit voedselproductie wordt aangevuld met vergoedingen voor o.a. natuurbeheer, verminderde CO-uitstoot, CO-vastlegging, biodiversiteit, waterberging, productie van duurzame energie, etc. Genoemde ecosysteemdiensten worden in de regel betaald vanuit overheidsbudgetten in de vorm van langjarige contracten. 3) Multifunctionele landbouwbedrijven die hun inkomsten uit voedselproductie aanvullen met verwerking en/of eigen verkoop (korte ketens) en/of met diensten als horeca, bed & breakfast, zorg, kinderopvang, loonwerk e.d.

‘Hoezo is een beloning voor ecodiensten een subsidie?’

Tot categorie 1 behoren nog steeds de meeste Nederlandse melkveehouders. En voor een deel van hen blijft er ook vast toekomst. Er zijn meerdere regio’s waar voor deze manier van boeren vooreerst vast en zeker nog wel ruimte blijft. Logisch, want de hele Nederlandse zuivelsector is er op ingericht om op gericht te boeren met de focus op efficiëntie en hoogproductiviteit.
Het is zijn echter vooral categorie 2 en 3 die groei vertonen. En dat is voor velen in de sector nog steeds wennen. Bijvoorbeeld door de laatste zin van de beschrijving over de 2e categorie boeren waar we lezen: ‘het betalen van ecosysteemdiensten via overheidsbudgetten in de vorm van langdurige contracten’. Alleen al het idee dat niet de markt maar de overheid een grotere invloed krijgt op het verdienmodel van de boer, bezorgt veel boeren de rillingen.
En hoewel een gegroeid wantrouwen, zeker ook gezien de huidige stikstofdiscussie, volkomen begrijpelijk is, is het toch de vraag of dat een terechte houding is. Heel veel boeren willen zelf namelijk al lang niet meer mee in groep 1 waarop het verdienmodel vooral gestoeld is op efficiëntie en hoge productie. Die route blijkt al jaren een ratrace waarbij velen niet tot een fatsoenlijk inkomen komen, gedemotiveerd raken en zelfs min of meer gedwongen afhaken als boer. Daarbij komt dat een intensievere bedrijfsvoering, tot nu toe vaak relatief lucratief, door wetgeving de komende jaren steeds verder wordt bemoeilijkt en dat schaalvergroting in veel regio’s, door lastige vergunningsprocedures en toenemende regelgeving, vaak ook geen optie meer is. 
Ook kan de sector de ogen niet langer sluiten voor het feit de overheid linksom of rechtsom koerst op verkleining van de veestapel, mede om de emissiedruk te verlagen.

Groene parkstaat

Melkveehouders zijn natuurlijk niet blind en zien de ontwikkelingen om hen heen. Het zijn allemaal redenen waardoor steeds meer van hen ook echt wel willen opschuiven naar een meer natuurinclusieve wijze van boeren. Een manier van boeren met een lage input en een substantieel deel van de inkomstenstromen uit andere diensten dan het leveren van melk. Voor deze groeiende groep boeren is de vraag dan vooral interessant: hoe hoog zouden die vergoedingen voor ecodiensten dan moeten zijn wil het lonen om het eigen bedrijf erop aan te passen en wat wordt verstaan onder langdurige contracten? Om vervolgens te kunnen vaststellen: hoe maak je afspraken met de overheid op een wijze die praktisch uitvoerbaar en betrouwbaar is? 

Naast stikstof komen er meer urgente vraagstukken op de sector af

Krijn Poppe is landbouweconoom en één van de opstellers van het rapport Toekomst zoekt Boer. Hij zegt natuurlijk heel goed te begrijpen dat boeren graag concrete cijfers willen horen. ‘Maar wij zijn bewust niet op de stoel van onderhandelaar gaan zitten. Het gaat erom dat we tot een systeem komen waarbij in plaats van focus op straffen en onteigenen, beloond wordt dat boeren diensten voor de maatschappij vervullen. Nederland ontwikkelt zich steeds verder richting een soort groene parkstaat. Dat kun je leuk vinden of niet, maar het gebeurt. Boeren kunnen en willen ecodiensten vervullen die ten bate van de maatschappij zijn. Daarvoor moet je ze belonen en wel op zo’n wijze dat de beloningen substantieel hoger liggen dan de huidige vergoedingen. Ik vind het ook kortzichtig om te stellen dat boeren daarmee te veel afhankelijk zouden worden van subsidies of te makkelijk als “subsidievreters” kunnen worden afgeschilderd. Als een aannemer een nieuwe weg aanlegt omdat politiek en maatschappij dat vooruitgang noemen, wordt die daar netjes voor betaald en heeft zijn bedrijf een dienst voldaan die de maatschappij van hem vroeg. Waarom kun je het zorgen voor extra waterberging, onderhoud van natuurelementen of bijvoorbeeld opslag van CO in de bodem niet net zo zien en betitelen? Een vergoeding daarvoor krijgen is geen subsidie, maar een vergoeding voor een dienst die jij als boer, als landeigenaar, verzorgt voor de maatschappij.’
Poppe erkent de makke van het rapport, en zijn toelichting, dat daarmee nog steeds niets geconcretiseerd wordt over hoogtes en duur van vergoedingen. ‘Het is alleen niet aan ons om dat vast te stellen. De maatschappij wil minder emissies, meer biodiversiteit en een bepaalde landschappelijke inpassing? Prima, maar dat heeft een prijs. In de VS werken ze al jaren met Conservation Contracts voor vaak 20 jaar. Zo’n voorbeeld kunnen wij ook implementeren. Als jij als boer het waterpeil rond percelen drastisch verhoogt voor een jaarlijkse premie van € 500 per hectare, maar je weet niet of dat na vijf jaar weer ophoudt, doe je het vast niet. Krijg je een contract dat je zekerheid van vergoeding voor twintig jaar biedt, is het voor velen opeens wel interessant.’

Duurzaamheid bijmengen

Een ander voorstel uit het rapport betreft het bijmengen van duurzame productie in het supermarktschap. Kortom: supermarkten worden verplicht een minimum aantal duurzaam geproduceerde producten aan te bieden. Of slachterijen en zuivelondernemingen worden verplicht een bepaald percentage product van de duurzamer producerende boeren tegen een meerprijs bij te mengen. Naar voorbeeld van bio-brandstof aan de pomp. ‘Natuurlijk moet je zo iets in detail nader uitwerken, maar technisch is het best mogelijk en zo creëer je een markt voor die duurzamere prodcucten’, stelt Poppe. ‘Het gaat erom of je dat met elkaar, politiek en maatschappij, wilt en ervoor kiest.’
En de handelsakkoorden en Europese afspraken dan? Die maken toch dat supermarkten vrij zijn te importeren wat ze willen? Poppe: ‘Dat zijn vooral politieke keuzes. Nogmaals: als je stelt dat de hele keten mee moet bewegen om te landbouw te transformeren, moet je echt denken in dit soort systemen waarbij de retail en consument ook écht meebetalen.’

Boeren bewegen al

Krijn Poppe: ‘Als een boer het waterpeil rond percelen drastisch verhoogt voor een jaarlijkse premie van € 500 per hectare en zeker weet dat dat voor twintig jaar geldt, is het voor velen opeens wel interessant.’

Het rapport Toekomst zoekt Boer is beslist niet heilig. Sterker nog: Poppe zelf moet toegeven dat het vele open einden bevat. Maar in plaats van het weg te schuiven en honend de leeftijd van enige opstellers te bespotten, is het raadzamer voor de agrarische sector de voorstellen serieus te nemen en breder te bespreken.
Vooral omdat, en dat moeten we beslist niet uit het oog verliezen, veel melkveehouders de afgelopen jaren al volop in beweging zijn richting een manier van boeren die niet meer louter gestoeld is op meer melk en hogere producties. Voor hen is het echter meer dan eens nog worstelen hoe daar een stabiel verdienmodel aan te koppelen. Inzet op minder input en daardoor besparen op veel kosten helpt daar vaak bij. Andere voorbeelden zijn de toename van zelfzuivelen en huisverkoop. Ook energie opwekken op het boerenerf is sterk in opkomst. En al zeker meer dan duizend Nederlandse melkveehouders leveren aan één of ander duurzaamheidsconcept dat zuivelfabriek, meestal samen met een supermarktketen, uitrolde. Meer inkomsten, betaalt door de overheid, uit het verzorgen van ecodiensten kan voor hen best interessant zijn.

In het aantal boeren die aan een duurzaamheid zuivelconcept levert, zit waarschijnlijk nog wel wat rek, maar er zal binnen vijf jaar niet zomaar ruimte zijn voor het dubbele of zelfs driedubbele aantal melkveehouders. En zoveel melkveehouders zijn er wel minimaal die de komende jaren niet meer mee kunnen en willen in de manier van boeren waarbij het inkomen vooral wordt behaald door een inzet op schaalvergroting en hogere producties van melk en bodem. Er zal in Nederland, en zeker ook in Noord-Nederland, nog jaren ruimte blijven voor een categorie boeren voor wie dat wel past en welke hier ook prima aan kunnen voldoen. Maar voor de groeiende groep waar dat niet langer voor geldt, is het tijd daar aan toe te geven en de kansen op andere terreinen te zoeken en te vinden. Uiteindelijk geldt: een beter verdienmodel begint bij jezelf.

Een brede discussie over de ruimte die de agrarische sector houdt in Nederland is broodnodig.

 

Dit artikel verscheen in magazine Agrarische Schouw dat vanaf 16 september 2022 in Noord-Nederland is verspreid.

Vorig artikelRFC maakt winst, maar durft (nog) geen nabetaling uit te keren
Volgend artikelMelkveebedrijf blijft in stand door uitzonderlijke overname