Vergroening en inzet op extra duurzaamheid is hot. Ook onder melkveehouders. Tenminste, onder een deel van de sector. Een ander deel gelooft niet dat de mooie bespiegelingen van inzet op natuurinclusieve landbouw een belegde boterham op kan leveren. De koers onder melkveehouders varieert daarmee steeds meer. De boerenwereld splitst in verschillende werelden.

Henk Schoonvelde is melkveehouder in Koekange en voorzitter van de Nederlandse afdeling van de European Dairy Farmers (EDF). Vanuit die functie bezocht hij vorig voorjaar Oostenrijkse collega’s. Hij zag met eigen ogen hoe de alpenboeren met 30 tot 40 koeien
prima kunnen rondkomen. Deels door duidelijk hogere opbrengsten voor hun melk die bijvoorbeeld als Heumilch (hooimelk) gretig aftrek vindt. En deels aangevuld met allerhande inkomsten of subsidies voor groene diensten die deze kleinschalige boeren verzorgen. Schoonvelde schreef er een column over waarin hij stelt dat de Nederlandse
boer zich zo langzamerhand beter kan spiegelen aan het voorbeeld van de Alpenboeren dan aan de Deense of Amerikaanse collega’s die via voortgaande schaalvergroting en intensivering hopen de volgende saneringsslag te overleven.

‘PLATTELAND STEEDS
MEER AANVULLING OP
STEDELIJK GEBIED’

Een jaar verder, terug op het eigen bedrijf, is deze denkrichting bij de EDF-voorman alleen maar gesterkt. ‘Ik hoorde in Oostenrijk dat dit land het hoogste percentage opvolgers heeft
binnen de EU. Vlot daarna bezocht ik via de EDF zes melkveehouders in Denemarken; geen van hen heeft een opvolger. In Denemarken en Nederland is de schuld per melkkoe ook torenhoog, in een land als Oostenrijk juist heel laag.’

Gaat de Nederlandse melkveehouder de Alpenboer achterna? Beeld: Houssam Diab

Deens voorbeeld

Volgens Schoonvelde kent de koers van veel Nederlandse melkveehouders overeenkomsten met die van de Deense collega’s. Dat zijn onder andere versnelde inzet op intensivering en
schaalvergroting. Best logisch ook in een wereld waar geld lenen erg goedkoop is en dit de koers is die elke huidige melkveehouder zo’n beetje van huis uit en op de landbouwschool
meegekregen heeft. ‘Wereldwijd zie je echter dat de marges op de bedrijven die inzetten
op massa, flinterdun zijn. En in Denemarken zie je daarbij dat de melkveehouderij meer en meer vervreemd raakt van de maatschappij. Iets wat ik onder een deel van de Nederlandse
collega’s ook waarneem. Onder aanvoering van de FDF klinkt dat geluid momenteel sterk: ‘niemand gaat ons vertellen dat we moeten veranderen’. Maar dan snap je het volgens mij
niet. Uiteraard moet je ‘groene idealisten’, die op basis van nostalgische drogredenen de
melkveehouderij zwart maken, van repliek voorzien. Maar dat verandert volgens mij niet dat het platteland steeds meer een aanvulling wordt op en voor de stedelijke
gebieden. De wedstrijd om die ontwikkeling te keren, is wel zo’n beetje gespeeld.’

Herman Wijffels

‘Boer betalen naar kostprijs’
Oud-voorman van de Rabobank en de SER Herman Wijffels was medio mei de hoofdgast in een webinar van discussiepodium ‘It’s the Food my Friend’. Wijffels vertelde daarin
overtuigd te zijn dat we aan de vooravond staan van een ‘volgende fase’ voor de mens en wereldwijde samenleving. ‘De Corona-crisis helpt slechts scherper te zien dat er iets
grondig is misgelopen met hoe de mens zich tot de aarde verhoudt.’ Volgens Wijffels bewegen we ons de komende jaren van een stelsel dat gestoeld was op maximalisatie van
productie, naar een stelsel waarbij gezondheid van de mens voorop staat. ‘Dit kan in mijn optiek alleen goed gerealiseerd worden door vol in te zetten op circulaire economische modellen. De consequentie daarvan is dat we veel meer regionaal en deels zelf lokaal
gaan opereren en werken. Grootschalig gesleep met voedsel past daar minder goed in.’
Wijffels stelt dat op deze wijze de landbouw de verbinding met de stad weer kan herstellen. Hij ziet daartoe vanuit de burgerij en veel boeren al verschillende initiatieven ontstaan. Dat
dit nog mondjesmaat en langzaam gaat, wijt hij aan de overheid ‘die met de rug naar de huidige ontwikkelingen lijkt te staan.’
Wijffels stelt dat alle euro’s die de consument besteedt aan voedsel terecht moeten komen waar de kosten worden gemaakt: bij de boer. ‘Dat kan alleen als de landbouw met een volledig open calculatie werkt. Op basis van hun inspanningen en gemaakte kosten, worden ze vervolgens eerlijk beloond.’

Tweedeling

Schoonvelde weet dat lang niet elke collega-melkveehouder zo denkt. ‘Nee, ik zie zelfs wat een tweedeling ontstaan. Een deel dat vol inzet om de aansluiting bij verdere verduurzaming en vergroeningskansen aangrijpt. Of dat tenminste inmiddels voorzichtig
probeert; de categorie waar ik ook toebehoor. En een andere categorie melkveehouders die dus vindt dat de maatschappij niet moet zeuren en vol gas doordendert. Je moet volgens
mij wel een vrij stijve kop hebben om die lijn vast te houden. De varkenshouderij is daarin voor mij het voorbeeld. De meeste van de ondernemers in die sector die zijn overgebleven en een professioneel bedrijf runnen, opereren erg strak en laten zich door niemand keren.
Het type cowbow, zeg maar. In de melkveehouderij zien we die categorie zich ook steeds meer onderscheiden. Dat is niet per se verkeerd, maar je moet het willen.’

Verdienmodel

De zoektocht die Schoonvelde schetst is voor een grote middengroep in de melkveehouderij herkenbaar. Waar het in de praktijk natuurlijk vaak nog op strandt, is het
verdienmodel. Dat is ook het meest gebruikte argument onder melkveehouders om min of meer op dezelfde weg door te gaan met hun bedrijf dan ze de laatste decennia deden.
Voor hen is niet duidelijk hoe een koerswijziging richting een meer natuurlijkinclusieve
werkwijze, met een hogere maatschappelijke acceptatie, economisch realiseerbaar en lang
houdbaar kan zijn.

Financiële prikkels

Het Planbureau voor de Leefomgeving constateerde vorig jaar in een lijvig rapport dat alleen een stapeling van financiële prikkels boeren massaal in beweging zet richting natuurinclusieve landbouw. Dan kun je denken aan de combinatie meerprijs uit de markt,
hogere vergoeding uit GLB-gelden en gunstiger financiële voorwaarden op leningen. Dit stapelen van mogelijkheden in verduurzamen tegen betaling, is eigenlijk ook precies wat de markt de laatste paar jaar begint te tonen. Grote zuivelbedrijven als Cono Kaasmakers,
A-ware en FrieslandCampina bieden inmiddels een serieuze plus per kilo melk via verschillende duurzaamheidsprogramma’s. Omdat deelnemers aan dit soort programma’s
vaak verplicht zijn een deel van hun hectares apart te beheren met bijvoorbeeld uitgestelde maaidatums, ontvangen ze vaak ook premie’s voor beheerpakketten op deze hectares.
A-ware verhoogt haar premie per 2021 naar 5 cent per kilo melk voor de deelnemers aan hun duurzame AH-melkstroom. Daarbij hoort een ploegverbod van grasland om zo CO₂ te binden. Voor CO₂ binding op landbouwgrond is recent de koolstofbank officieel geopend om
certificaten uit te geven aan agrariërs. Verschillende provincies spenderen grote sommen geld aan projecten waar de boer met inzet op natuurinclusieve landbouw van meesnoept. En de Rabobank rolt inmiddels haar rentekortingsprogramma voor duurzame bedrijven uit van Drenthe naar de rest van het land. Dan is de verdeling van GLB-gelden na 2022 nog
niet genoemd. De verwachting is dat de boeren die serieus aan vergroening en natuurinclusieve landbouw doen een grote streep voor hebben.

DAT DE ‘LINKSE ELITE’
OVER EN NIET MÉT
BOEREN LULT, KLOPT
MAAR TEN DELE

Jaarinkomen erbij

Het zijn ontwikkelingen in de markt die nog niet allemaal even vlot lopen én die zeker ook de nodige inzet aan tijd en geld vragen van de boer. Maar de tijd is voorbij dat gezegd kan worden dat inzet op een extra duurzame bedrijfsvoering geen extra geld kan opleveren.
Wat heet: een melkveehouder bij de AH-A-ware melkstroom die 1 miljoen kilo melk levert op jaarbasis, ontvangt nu reeds € 30.000 premie en vanaf volgend jaar € 50.000. Voor veel
extensieve boeren in Noord-Nederland, die relatief weinig aanpassingen door hoeven te voeren in hun bedrijfsvoering, betekent dat ongeveer een jaarinkomen erbij.

Jan Cees Vogelaar

‘Groene graaiers met feiten bestoken’
Kom bij Jan Cees Vogelaar niet aan met beweringen als ‘de wedstrijd is reeds gespeeld’. De
oud-LTO-voorman, STAF-adviseur en Mesdagfonds-voorzitter stroopt de mouwen juist extra goed op. ‘Omdat het een ongoing proces is waarin de agrarische sector strijdt tegen een groep van hooguit een paar duizend lieden die over ontiegelijk grote hoeveelheden ‘groen graaigeld’ beschikt. Verkregen uit allerhande schimmige potjes en de Postcodeloterij. Daarmee slagen zij er in om allerhande onzintheorieën over de landbouw in de wereld te helpen en te houden.’
Vogelaar zegt zich kapot te ergeren aan burgers die menen te weten hoe de boer in Nederland moet boeren. ‘Gaan we ook ASML minder chips laten exporteren en mag VDL straks geen bussen meer maken voor andere landen? Natuurlijk niet. Wat is dat voor onzin om tegen de landbouw dan wel zo te ageren alsof export te veel milieudruk veroorzaakt. Omdat er te veel dieren zijn? Dat is zeker voor de melkveehouderij bullshit. Als wij 2,5 GVE en maximaal 18.000 kilo melk per hectare grasland houden, voldoen we aan alle milieurandvoorwaarden en kunnen we wel 17 miljard liter melk produceren in dit land in plaats van de circa 14 miljard nu.’
Dat de melkveehouderij de komende jaren ruimte inlevert, daarvan is ook Vogelaar overtuigd. ‘Gewoonweg omdat we in een te dichtbevolkt land leven. Dan moet je keuzes maken. Maar milieudruk er aan alle kanten bijslepen om de boeren weg te pesten, is gewoonweg een grove naaistreek. Dat moet je ook niet laten gebeuren. Met STAF verzamelen we steeds meer feiten tegen de ‘groene graaiers’. Als de grote massa de feiten echt kent, wil ik nog wel eens zien hoe groot de invloed blijft van dat kleine clubje fundamentalisten die de landbouw op allerhande wijze loop te bashen.’

Nieuwe netwerken

Dat de markt en (lokale) overheden zich zo ontwikkelen, heeft nog meer effecten. De groeiende groep boeren die inzet op koerswijzigingen in hun bedrijfsvoering, haalt de benodigde kennis hiervoor in afnemende mate uit hun bestaande agrarische netwerk. Het
oude netwerk sluit vaak niet aan bij de kennis die deze boeren zoeken. Het effect is dat oude en nieuwe netwerken langzaam maar zeker uit elkaar drijven.
In de Rode Hoed in Amsterdam worden inmiddels al elf jaar lang bijeenkomsten georganiseerd onder de noemer ‘It’s the Food my Friend’. Dit zijn praatsessies voor boeren, burgers en buitenlui over voedsel en landbouw. Vaak komen er wel honderden mensen op af. Die praten over voedsel én over de landbouw. Het roept bij veel boeren irritatie op. De grachtengordel of ‘linkse elite’ lult weer eens over hun sector, maar niet mét hen. Dat klopt maar ten dele. Bij die bijeenkomsten zijn ook wel boeren. In toenemende mate zelfs. Dat zijn vooral de boeren die geloven dat deze geïnteresseerde burgers hun belangrijkste klanten zijn voor nu en de nabije toekomst.

Twee stromingen

Alex Datema is voorzitter van BoerenNatuur en behoort tot die laatste groep. Hij meent dat de tweedeling onder boeren in de praktijk minder groot is dan vooral social media soms
doet vermoeden. ‘Wel kun je redelijk duidelijk twee stromingen ontwaren onder boeren. De ene boer zegt ‘Ik zie dat er in de toekomst wat anders van mij wordt verwacht. Daar probeer ik op in te spelen en mijn bedrijf op aan tepassen. Met of zonder deelname aan
een duurzame melkstroom.’ De andere boer zegt: ‘Ik blijf doen wat ik de laatste tien á twintig jaar al heb gedaan. Dat betekent op dezelfde wijze doorboeren en gemiddeld elk jaar wat meer koeien houden’, analyseert Datema. ‘Het ontbreken van duidelijk overheidsbeleid is daarbij echt wel een probleem en grote drempel, maar wordt in mijn
ogen soms ook wel iets te makkelijk als zondebok gebruikt door boeren om maar niet te hoeven bewegen. De markt en maatschappij zijn duidelijk verder in hun ontwikkeling dan de overheid. Daarvoor moet je als boer ook oog hebben en houden.’

 

 

 

Annette Harberink: ‘Hoe meer boeren hoe liever. Maar wil je kringlopen sluiten dan is het huidige aantal dieren niet volhoudbaar.’

Het andere boerengeluid
Na de tv-boerenspotjes van Farmers Defence Force, Agractie en LTO was daar ineens de kringloopcommercial van de Caring Farmers. Daar waar de eerste drie organisaties in hun spotjes vooral de traditionele boerenwereld promoten, pleit de commercial van de nieuwe boerenorganisatie Caring Farmers juist voor een compleet nieuw voedselsysteem: export vervangen door korte ketens, een landschap vol biodiversiteit en zo weinig mogelijk vee. De organisatie roept in het spotje consumenten op om in actie te komen: ‘Help ons anders boeren.’

Caring Farmers ontstond nadat landbouwminister Schouten vijftien vooruitstrevende boeren had uitgenodigd om te vertellen wat zij verstaan onder kringlooplandbouw. De visie van Schouten die daarna verscheen, vonden deze boeren niet ver genoeg gaan. Zo komt het dat pluimveehouder Ruud Zanders van Kipster, Geert van der Veer van de Herenboeren en biologischdynamisch melkveehouder Annette Harberink Caring Farmers zijn gestart. ‘De voedselproductie in Nederland is volledig doorgeschoten. Het is lastig om dat te veranderen. Daarom willen we een beweging opbouwen die begint bij de boeren zelf en zich als een olievlek uitbreidt over Nederland’, vertelt Harberink. Ze melkt 65 koeien op Natuurderij Keizersrande, in de uiterwaarden van de IJssel.

De Caring Farmers-organisatie telt momenteel 150 boeren, die de Caring Farmers Code onderschrijven. Zij willen een landbouw realiseren die opereert op zo’n klein mogelijke schaal, binnen de grenzen van de natuur en met respect voor dieren en mensen. Chemie, kunstmest en veevoerimport worden afgebouwd tot nul en we gaan naar een landbouw met zo weinig mogelijk vee. Een melkveehouder met 65 koeien, die minder vee wil, is dat niet gek? Harberink: ‘Minder vee is geen doel op zich. Maar wereldwijd hebben we maar
een klein areaal, daar moet je voer voor mensen telen, niet voor dieren. Koeien moet je alleen nog restproducten voeren en alleen laten grazen op gronden waar niets anders kan groeien dan gras.’ Ze benadrukt dat Caring Farmers niet wil worden gezien als een partij die minder boeren wil. ‘Hoe meer boeren, hoe liever. Maar als je kringlopen wilt sluiten, is het huidig aantal dieren niet volhoudbaar.’

Caring Farmers heeft één doel: een natuurinclusieve kringlooplandbouw in 2030. Harberink: ‘Hoe we daar moeten komen, weten we nog niet precies. We hopen op hulp van wetenschappers, dierenartsen NGO’s, ketenpartners en vooral: consumenten. Nu komt iedereen bewonderend kijken hoe efficiënt en hoogproductief de Nederlandse landbouw is. Maar de negatieve effecten op mens, dier, milieu en klimaat worden pijnlijk zichtbaar. Hoe mooi is het als over een aantal jaren de hele agrarische wereld komt kijken hoe Nederland vooroploopt in kringlooplandbouw.’