‘Wij willen terug naar één landbouwgeluid. Onze sector moet met één mond spreken en zo onze belangen in Den Haag en Brussel verdedigen. Samen sterk!’. Veel boeren lijken echt te geloven dat dit wensbeeld mogelijk is. Echter, juist het landbouwcollectief, dat van het najaar 2019 tot het voorjaar 2020 functioneerde, bewees dat collectieve belangenbehartiging volledig failliet is. Een analyse. Hoe zeven kopstukken van de verschillende belangenbehartigers er zelf over denken, leest u in naast- en onderstaande kaders.

Er zijn twee hoofdredenen aan te wijzen waarom het collectief stuk is en ook niet meer te lijmen valt. De eerste reden is dat de belangen van de blijvers haaks staan op die van de wijkers. De tweede reden is dat het onderlinge vertrouwen tussen veel huidige bestuurders te ernstig beschadigd is. Om de eerste reden beter te begrijpen, moeten we terug naar het verleden. Het is inmiddels tientallen jaren geleden dat de agrarische belangenbehartiging
gelijkenissen begon te vertonen met befaamde kerkscheuringen uit het verleden. LTO is de aloude ‘algemene’. Al voor de eeuwwisseling kwamen de vakbonden op. Om sectorale belangen te verdedigen, scheidden clubs als NMV, NAV, NVV en later de NAV zich allemaal af van moederkerk LTO. Anno 2021 zijn we in een fase beland dat, in de vorm van clubs als Netwerk Grondig, nieuwe afscheidingen wortel hebben geschoten. Met de laatste jaren daarbij de opkomst van enerzijds volledig afvalligen als Caring Farmers, die een volledig andere kerk willen, en anderzijds populistische organisaties als FDF en Agractie. Populistisch omdat zij inspelen op een diepliggend boerensentiment: ‘Wij Nederlandse boeren doen niets fout en laten ons daarom niet uit Nederland wegjagen.’

SIETA VAN KEIMPEMA,
VOORZITTER DDB EN
SECRETARIS VAN DE FDF


‘Als boeren in meerderheid pleiten voor een doorstart van het landbouwcollectief moet je daar aan willen voldoen. Als sommige mensen menen dat ze onvoldoende
goed met anderen door één deur
kunnen, vaardigen ze maar een ander uit naar zo’n collectief.
Wij hangen te veel in de kont?
Onzin. Je moet je niet laten leiden
door aannames en meebuigen met de politiek die ‘vooruit’ wil. ‘Verder komen’, noemen ze dat. Maar wat is ‘vooruit’ en ‘verder komen’? Als je de oplossing voor een probleem niet hebt, moet je ook niets aanbieden. Dat gebeurt in bijvoorbeeld het stikstofdossier wel door LTO, NAJK en NZO.
Ook op de markt moet worden ingegrepen. Nu wordt de boer overgelaten aan de grillen van de wereldmarkt. Wij strijden daar tegen via onder andere het FDF-plan Farmers Friendly. Op zo’n onderdeel werken we samen met
meerdere belangenbehartigers. Als we een meerderheid vormen, mag de politiek ons niet negeren. Dat is voor ons ook een reden in te blijven zetten op collectieve belangenbehartiging.’

Geen belang bij harde taal

De realiteit is dat Nederland een enorm duur land is om voedsel te produceren. Een land dat ook nog eens een liberale koers vaart, gebaseerd op allerhande vrijhandelsverdragen die maken dat de concurrentiepositie voor onze boeren steeds zwakker wordt. Nederland is
daarmee een land geworden waar de productie van melk, vlees of groenten ontzettend veel vakmanschap én ondernemerschap vergt om een fatsoenlijk boterham mee te kunnen
verdienen. Dit is al jaren zo, maar de lat komt in rap tempo hoger te liggen. Dat maakt dat er voor heel veel boeren geen toekomst is in Nederland. Waarschijnlijk vloeit circa de helft van alle melkveehouders al binnen tien jaar af.

ROY MEIJER, VOORZITTER NAJK


‘Ik acht het helemaal niet realistisch om tot één landbouwgeluid te komen. Eén reden daarvoor is dat er tegenwoordig meerdere partijen
en bestuurders actief zijn die hun
bestaansrecht lijken te ontlenen
aan ‘tegen zijn’. Momenteel zijn er grofweg twee soorten landbouwgeluid te horen. Eén dat wil doorontwikkelen en ketenpartijen actief bij belangenbehartiging betrekt en een tweede dat zich zo veel mogelijk keert tegen verandering en tegen inmenging van ketenpartijen.
Wij behoren tot de eerste groep en voor kritiek uit vertegenwoordigers van de tweede groep ben ik niet
bang. Zij noemen ons meebuigers, maar dat is onzin. Wij bewegen juist mee met de tijd en met de kansen die die biedt. Ik wil niets liever dan één boerenfront, maar daarvoor moet je kunnen samenwerken met partijen die vooruit willen én die elkaar vertrouwen. Als NAJK sta ik
voor het belang van de jonge boer die bij de blijvers wil horen. Om dat belang te dienen, kan ik niet samenwerken met partijen die elkaar wantrouwen en niet vooruit
willen.’

Veel van de huidige ondernemers op de financieel gezonde bedrijven zien deze ontwikkeling als iets onontkoombaars. Sterker nog: in de liberale markt is het in hun belang dat dit gebeurt. Doordat andere wijken, krijgen zij ruimte om hun bedrijven door te ontwikkelen én met de overheid afspraken te maken over de vrijkomende ruimte. De niet
toekomstbestendige bedrijven die niet willen wijken, zitten hen nu in de weg. De blijvers hebben er dan ook geen belang bij dat clubs als FDF harde taal uitslaan en een bestuurscultuur hanteren die ambtenaren en politici tegen de sector in het harnas jaagt en kritische NGO’s de kans geeft boeren af te spiegelen als een groep die van alles niets wil. De belangen van de blijvers en de wijkers stroken derhalve niet met elkaar of staan soms zelfs haaks op elkaar. Dat is een pijnlijke conclusie, maar wel één waar vooral de gevestigde orde van LTO’ers en zuivelbestuurders mee worstelen. Zij vertegenwoordigen leden die tot beide kampen behoren, maar weten dat ze in politiek Den Haag onmogelijk de belangen van de twee groepen tegelijkertijd kunnen dienen. Uit angst voor woedende reacties en een (nog) grotere leegloop uit het eigen ledenbestand, spreken ze dit niet openlijk uit en belijden zij vaak niet openlijk één duidelijke lijn in hun lobbytrajecten. Daarmee worden ze ook voor de overheid een ingewikkelde gesprekspartner.

Identiteit niet op te geven

Natuurlijk weten de meeste FDF-bestuurders
ook wel dat één landbouwcollectief de gevolgen van
de vrije markt niet keert. FDF ontleent zijn bestaansrecht echter aan het beschermen van het bestaansrecht van álle boeren. Vooral onder FDF-leden leeft het aloude boerensentiment om koste wat het kost boer te willen blijven. Nog altijd koppelen veel boeren hun hele identiteit aan het beroep dat
ze uitoefenen en aan de grond die ze bezitten. Je kunt niet van iemand vragen om zijn identiteit op te geven. Maar de realiteit is dat dat voor veel van deze
boeren wel gaat gebeuren. Mark van den Oever en Sieta van Keimpema weten dat vast en zeker ook, maar laten hun volgers geloven dat door maar hard genoeg te vechten tegen het onrecht dat boze buitenwereld heet, er overlevingskansen zijn voor iedereen. Omdat veel van de bestuurders van
LTO, zuivel en NAJK er van overtuigd zijn dat de houding van de achterban van FDF en Agractie in Den Haag geen gehoor krijgt, maakt dat er van één sterk landbouwgeluid, één landbouwcollectief, geen sprake meer kan zijn.

Verhoudingen flink geschaad

De tweede reden dat de terugkeer van het Landbouwcollectief een illusie is, zijn de onherstelbaar geschade verhoudingen tussen bestuurders. Vooral rond het klappen van dit
collectief, in mei 2020, zijn de verhoudingen ernstig verstoord. Volgens Sieta van Keimpema, die de DDB en FDF vertegenwoordigt, viel het in die periode, op wat pittige discussies na, best mee met die heftigheid. Wie goed luistert naar andere betrokken
boerenbestuurders, hoort echter heel andere geluiden.

DIRK BRUINS, VOORZITTER LTO NOORD


‘Ik ben een groot voorstander van één boerengeluid. Als LTO zijn wij de enige organisatie die alle sectoren vertegenwoordigt en dus dé club die inzet op één gedragen geluid richting politiek en maatschappij. Tegelijkertijd zeg
ik ook: één boerengeluid bestaat
niet, je hebt hooguit een gemiddeld
boerengeluid.
De verharding en verruwing binnen
boerenkringen en tussen belangenbehartigers merk ik ook
wel, maar ik weiger daarin mee te gaan. Verschillen van inzicht heb je altijd, maar heb het daar binnenskamers over. Waar je elkaar vindt, werk je samen. Dat bekijken wij per onderdeel en dat functioneert momenteel best goed.
Belangenbehartiging moet zich op de toekomst richten. Daarmee bedoel ik: ondernemers faciliteren dat ze hun bedrijven wendbaar in kunnen richten. De realiteit is
namelijk dat verandering de enige constante is waar wij als agrarische ondernemers van op aan kunnen. Als LTO wordt ons wel eens verweten dat we te veel meebewegen, maar doe je dat niet dan loop je vroeg of laat tegen muren op en krijg je ongelukken. Je moet wel meebewegen. Dat is wat
anders dan meebuigen.’

Bestuurders uit verschillende geledingen spreken van bewust opgezette lastercampagnes om personen openlijk zwart te maken op social media. Dit heeft veel kwaad bloed gezet. Ook wordt de, in de ogen
van menig betrokken bestuurder, onbeschofte opstelling van enkele FDF-bestuurders richting Haagse ambtenaren en politici deze jonge club zwaar
aangerekend. Bestuurders uit andere clubs vrezen dat er daardoor in Den Haag te veel goodwill is verspeeld. Dit zeggen ze andermaal niet luidop. Bang
als ze zijn om de broze verhouding opnieuw te verstoren én te worden beschimpt door de fanatieke aanhang van met name FDF. Of minstens zo erg: uit
angst een rechtszaak voor smaad aan de broek te krijgen.

Met elkaar in therapie

Natuurlijk, op lokaal niveau wordt binnen de belangbehartiging hier en daar best goed samengewerkt. Dat is ook waardevol, maar de belangrijkste lobbytrajecten vinden op landelijk niveau plaats. Om daar weer tot een werkbare eenheid te komen, zouden alle spelers van alle clubs
eigenlijk met elkaar in therapie moeten. Therapie kan echter alleen werken als alle spelers ook echt
mee willen werken en openstaan voor verandering. En dat zit er met de huidige bestuurders en
belangenbehartigers niet in.
En als we alle huidige bestuurders zouden kunnen
vervangen, met behoud van kennis, maar zonder al het oud zeer en emoties? Dan, ja dan is er misschien kans op één landbouwcollectief.
Droom maar verder. Dat wordt het ‘m niet. Het collectief is stuk en blijft stuk.

 

Dit artikel verscheen eerder in printmagazine Agrarische Schouw dat in heel Noord-Nederland vanaf 23-09-21 werd verspreid.

JOHN ARINK, RAAD VAN ADVIES
CARING FARMERS


‘Eén boerengeluid? Dat moet je juist niet willen. Wij zijn opgericht om een ander geluid te laten horen. Wij staan voor een duurzamere manier van landbouw – zonder chemie en
kunstmest – om klaar te zijn voor de toekomst. Die visie heb ik bij de gevestigde orde
nog niet kunnen ontdekken. De huidige manier van landbouw bedrijven in Nederland drijft op chemie, kunstmest en krachtvoerimport. Haal je die elementen weg, dan dondert het hele kaartenhuis in elkaar. Ook moeten we het verlies van menselijke fecaliën uit de kringloop herstellen. Natuurlijk ligt de fout van een volledig scheef gegroeide structuur niet louter
bij de landbouw, maar de landbouw kan zich wel
pro-actiever opstellen. In plaats van aan het infuus van de kunstmestindustrie te blijven liggen. Ik zie het niet gebeuren dat dat met de gevestigde orde aan belangenbehartigers ervan komt. Einstein zei immers al: ‘Om problemen op te lossen, heb je een andere mindset nodig dan waarmee de problemen zijn ontstaan.’

 

SJOERD MENSONIDES,
BESTUURSLID VAN AGRACTIE


‘Het is een niet realistisch ideaalbeeld om tot een volledig landbouwcollectief te komen.
De tegenstellingen tussen verschillende boeren zijn te groot. In hybride collectieven kun je wel prima samenwerken. Dat gebeurt ook wel. Echt, er gebeurt ook genoeg goeds. Het is heus niet alleen kommer en kwel.
De persoonlijke verhoudingen tussen bestuurders; ja, dat is wel een heikel punt. Het is ook logisch dat geen bestuurder daar te diep op in wil gaan. Niemand heeft er zin in om op social media afgemaakt te worden. En die
voorbeelden zijn er wel. Ik schrik er sowieso van hoe heftig er soms wordt gereageerd, ook vanuit je eigen achterban.
Ook leven er nogal wat taboes. Over een krimpende sector mag je bijna niet praten, terwijl iedereen dat ziet gebeuren. Het is valse belofte als je doet geloven dat elke boer kan blijven boeren in Nederland. Iedereen
weet dat, maar als bestuurder lijk je dat eigenlijk niet luidop te mogen zeggen.’

HARM WIEGERSMA,
DEMISSIONAIR VOORZITTER NMV


‘Het landbouwcollectief klapte vorig jaar doordat een club met oude bestuursculturen aan tafel kwam te zitten met een nieuwe rebelse club. Nou die hebben elkaars nieren even goed geproefd. Vooral in de
omgangsvormen zat enorm verschil tussen de bestuurders uit die clubs. Dat botste dus té veel. Het liep soms hoog op met de emoties. Ik heb dusdanig vaak een rondje besteld om de gemoederen weer tot bedaren te brengen dat anderen wel konden denken: die Harm is aan de drank of zo.
Mijn droombeeld is dat de landbouwsector opereert als
de Groene11. Deze natuur- en milieuclubs hebben ook allemaal hun eigen stiel en ideeën, maar treden vaak gezamenlijk met standpunten naar buiten en richting
politiek vormen ze één front. Dat lukt in de landbouw niet tot nauwelijks. Al acht ik het niet realistisch, ik blijf hoop houden dat we toch opnieuw als collectief
vanuit de landbouw gezamenlijk kunnen optrekken in de belangenbehartiging. Armoede verbroedert. En met een versneld krimpende sector gaan we daar helaas op toe. Dus wie weet…’

DIANA SAAMAN, INTERIM
VOORZITTER NETWERK GRONDIG


‘Wij herkennen ons niet in de roep om één boerengeluid. In tegenstelling: wij pleiten voor
een meersporenbeleid aan geluiden vanuit de landbouw dat zich ook zo vertaalt in wet- en
regelgeving. Decennialang trok de intensieve melkveehouderij aan de touwtjes binnen LTO en
de heersende landbouwlobby. Juist om een ander geluid te laten horen, is Grondig opgericht.
Wij merken dat er bij het ministerie ook steeds meer voedingsbodem komt om af te stappen van generiek beleid. Dat juichen wij toe, maar een deel van de boeren lijkt dat angstig te vinden. Misschien omdat ze bang zijn voor
waardeoordelen. Dat de ene boer goed doet en de andere niet, in de ogen van politiek en maatschappij. Volgens mij hebben ze weinig te vrezen. Het ministerie heeft, samen met
de rechtse politieke partijen, de intensieve landbouw altijd beschermd dus dat houdt vast niet opeens volledig op.
Het vasthouden aan alle sectoren binnen één club, zoals LTO dat doet, past niet meer binnen de huidige maatschappelijke ontwikkelingen. Eén landbouwgeluid is passé.’