Hoogproductieve melkveehouderij vindt in de toekomst vooral plaats in de kustgebieden en Flevoland. In de rest van Nederland moeten boeren zich aanpassen aan andere functies. Recente rapporten over de toekomstige inrichting van Nederland en uitlatingen van prominenten wijzen in de richting van een toenemende fysieke scheiding tussen twee vormen van landbouw.

De Kop van Noord-Holland, de noordelijke delen van Groningen en Friesland, de vruchtbare kleigronden in Zeeland en Flevoland mogen zich opmaken voor een toekomst met grote, hoogproductieve melkvee- en akkerbouwbedrijven. Dat is in totaal een gebied van 845.000 hectare. In de rest van Nederland, zo’n 1,1 miljoen hectare, moeten melkveehouders en akkerbouwers hun productie ondergeschikt maken aan het leverenvan diensten zoals, natuurbeheer, waterbeheer en recreatie. Dat betekent extensief en vergaand natuur-inclusief boeren. De intensieve veehouderij, tot slot, wordt gebundeld in grote
agroparken bij de Rotterdamse haven, Schiphol en het Westland.

Dit is althans hoe een groep Nederlandse wetenschappers denkt hoe Nederland zijn landbouw het beste kan inrichten. Deze ingrijpende landinrichting zou vanaf nu in zo’n
dertig jaar tijd z’n beslag moeten krijgen. De hoofdauteur van het stuk en de bijbehorende intekening (zie kaart) is Martha Bakker, hoogleraar Landgebruiksplanning van Wageningen
Universiteit & Research (WUR). ‘Reserveer de vruchtbaarste gronden voor bedrijven die intensief produceren voor de wereldmarkt en geef de rest van de landbouwgrond aan boeren die extensiever en minder productiegericht landbouw bedrijven. Daarmee los je in één klap een heleboel problemen in het landelijk gebied op, zoals te veel stikstofuitstoot, teloorgang van landschap, uitstoot van broeikasgassen en verdroging.’

‘Dit geeft boeren duidelijkheid’

De voorgestelde landschapsindeling levert volgens Bakker niet alleen grote milieuwinst en schitterende landschappen op, het geeft ook ruimte aan een blijvend prominente rol voor
boeren in het produceren van voedsel en het beheren van het landschap.
‘Mijn overtuiging is dat boeren dit plan zullen omarmen, mits het met overtuiging en daadkracht wordt gebracht. Boeren willen namelijk vooral één ding niet en dat is een weifelende overheid met een ontbrekende visie. De huidige situatie waarin veel bedrijven
zich bevinden is zeer onaantrekkelijk: een constante zoektocht naar manieren om krimpende marges te kunnen compenseren betekent een nooit eindigende ratrace, waarbij er nooit minder maar alleen meer regels gaan komen. Boeren zijn gebaat bij duidelijkheid en een lange termijn perspectief waarop ze hun bedrijfsvoering kunnen gaan aanpassen. Om die redenen ben ik overtuigd van de slagingskansen van dit plan.’

BIJ KUST
PRODUCTIEBOEREN,
REST WORDT
‘PARKWACHTER’

Voor de duidelijkheid: in de bovengenoemde gebieden komt het zwaartepunt van hoogproductieve landbouw te liggen, zoals de zalmkleur op de kaart duidelijk laat zien. Dat wil niet zeggen dat op andere plaatsen hier en daar geen ruimte is voor primaire
voedselproductie. Zo is ook duidelijk zalmkleur te ontdekken in Zuidoost- Friesland en delen van Drenthe en Overijssel. Maar deze gebieden zullen geen grote concentratiegebieden van hoogproductieve landbouw worden. ‘Alle leemachtige zandgrond
achten wij eveneens geschikt voor hoogproductieve landbouw, vandaar ook dat je op verschillende andere plaatsen zalmkleur ziet. De grote concentraties zitten echter op de
kleigronden langs de kust en in Flevoland’, verduidelijkt Bakker.

‘Landschap wordt vermorzeld’

Dat Nederland nieuwe keuzes moet gaan maken in ruimtelijke ordening, is geen vraag meer. Sinds de landelijke overheid de regie met het opheffen van het ministerie van Ruimtelijke Ordening uit handen gaf aan markt en regio, ontwikkelt Nederland zich in hard
tempo tot een allegaartje van functies. Natuur, klimaat, industrie, woningbouw,
wind- en zonne-energie, datacenters, alles en iedereen claimt ruimte. Dat gaat in toenemende mate kriskras door elkaar heen. Landschapsarchitecten luiden dan ook massaal de alarmbel over de snel voortschrijdende verrommeling van het landschap. ‘We
raken het landschap van Nederland blijvend kwijt. Het wordt verkruimeld, vermorzeld en veronachtzaamd, en dit gebeurt in een moordend tempo. Wat er overblijft, zijn liefdeloze flarden van wat ooit een rijk cultuurlandschap was’, waarschuwt landschapsarchitect
Adriaan Geuze in HP De Tijd. Hij vreest dat Nederland binnen afzienbare tijd eruitziet als het Ruhrgebied in Duitsland: één grote industriële betonvlakte.

De overheid erkent dit probleem inmiddels ook en riep de studiegroep Ruimtelijke Inrichting Landelijk Gebied in het leven. De studiegroep van ervaren topambtenaren en hoogleraren onder voorzitterschap van Peter Heij – voormalig directeur-generaal Water en Bodem van het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat en voormalig algemeen directeur bij de Dienst Landelijk Gebied en Bureau Beheer Landbouwgronden – bracht half
mei het rapport ‘Kiezen én delen’ uit. Daarin reikt de club handvatten aan de toekomstige regering aan om knopen door te hakken. De studiegroep zegt niet welke keuzes moeten worden gemaakt, wel waar ze moeten worden gemaakt, wie daarbij betrokken moeten
zijn en welke uitgangspunten een belangrijke rol moeten spelen. Ook adviseert ze om functies die sterk met elkaar conflicteren uit elkaar te halen.

De Chinezen komen
Ook Chinese partijen melden zich op de grondmarkt in Nederland. ‘In Groningen zijn vrij recent twee complete akkerbouwbedrijven opgekocht door Chinese investeerders met als doel ze te blijven gebruiken als akkerbouwbedrijf’, bevestigt agrarisch makelaar Reint Bruins uit Uithuizen. Hij denkt vooralsnog dat het om enkele incidentele transacties gaat.’ Ook Marion Tjin-Tham-Sjin van Splendid China in het Groningse Meerstad krijgt geen signalen dat de Chinezen structureel actief zijn in het vergaren van grond in Nederland. Zij helpt ondernemers bij het exporteren van hun producten en diensten naar China en woont en werkt zowel in China als in Nederland.
‘Ik denk wel dat het voor Chinese investeerders interessanter wordt als de Nederlandse regering duidelijke keuzes maakt in grondbestemming. Nu lijkt het soms wel of de boeren uit Nederland worden weggejaagd en hier bijna geen landbouwgrond meer overblijft.’

Beste grond voor beste gewas

Voor de landbouw in Nederland komt het advies van de club van Heij er kort samengevat op neer: in gebieden met hoogproductieve gronden moet
je aan landbouw de voorkeur geven.
Ook van deze prominente club dus een pleidooi om de beste gronden in Nederland te reserveren voor
hoogproductieve landbouw. Maar de boodschap is ook dat in verschillende delen van Nederland, waar nu nog volop landbouw wordt bedreven, de melkproductie ondergeschikt wordt aan diensten op gebied van natuurbeheer, waterbeheer, landschapsbeheer of recreatie. In boerenkringen wordt deze manier van boeren nog wel eens
bestempeld als ‘parkwachter zijn’. De rapportmakers vinden dit onterecht, ze benadrukken dat het een minstens zo’n volwaardige manier van landbouw
is. De kaart van Martha Bakker kan worden gezien als een getekende uitwerking van de adviezen van de club van Peter Heij. Bakker was ook betrokken bij dat advies. ‘Het is zeker niet de bedoeling dat boeren dit op eigen houtje voor elkaar moeten zien te krijgen. Nee, dit plan gaat alleen werken als de maatschappij de boeren hiervoor betaalt.’

Agrarische Hoofdstructuur ‘must’

Bakker staat bepaald niet alleen in haar pleidooi voor een scheiding tussen hoogproductieve landbouw en
landbouw met beperkingen. Zo vinden Wageningen UR-voorzitter Louise Fresco en voormalig LNV-minister Cees Veerman ook dat Nederland dringend behoefte heeft aan een Agrarische Hoofdstructuur (AHS). ‘Wijs gebieden aan waar de landbouw ruimte krijgt voor verdere ontwikkeling en innovatie en maak ook duidelijk waar dat niet meer kan’, is hun boodschap. Ze denken dat zo’n tweedeling ruimte biedt voor een structurele aanpak
van problemen op het gebied van biodiversiteit, milieu en stikstof, terwijl er tegelijk perspectief blijft voor een krachtige agrarische sector.
Ook de in Drenthe woonachtige oudhoogleraar Rudy Rabbinge pleit al jaren voor zo’n Agrarische Hoofdstructuur. In Nederland betekent dat een strook land die loopt van de zeekleigebieden in West-Vlaanderen via Zeeland en West-Brabant en Flevoland naar
Noordoost-Groningen, de Veenkoloniën en de rijke graslanden van Noord en Zuid-Holland en Friesland. Door de grondgebonden landbouw en veehouderij te concentreren op de
meest vruchtbare grond kan de sector grote winst behalen op het gebied van duurzaamheid, denkt hij. In de gebieden buiten deze hoofdstructuur ontstaat dan meer ruimte voor cultuurlandschap en ontwikkeling van faciliteiten voor zorg, recreatie en
educatie, of voor natuurgebieden.

Geen scheiding maar combinatie

Een strikte scheiding tussen ‘harde’ en ‘zachte’ landbouw ziet Lubbert van Dellen, agromarktdirecteur bij Accon avm en secretaris van het Mesdag Zuivelfonds, niet gebeuren. Hij constateert op dit moment de meeste bedrijfsontwikkeling bij een nieuwe
generatie moderne melkveebedrijven met 200, 300, 400 of nog iets meer koeien. ‘Juist deze melkveebedrijven zijn al volop bezig om hoogproductief melken te combineren ‘zachtere’ waarden. Moderne melkveehouders die hun bedrijf verdelen over twee locaties.
Op het ene bedrijf werken ze vooral hoogproductief en intensief, maar op het tweede bedrijf doen ze volop aan natuurontwikkeling, weidevogelbeheer en biodiversiteit. Zo hoeven ze geen structuurvoer bij te kopen, minder mest af te voeren en pakken ze ook nog de plussen die er steeds meer komen op ‘zachte’ landbouw.’

Concentratie Noordoost-Nederland

Van Dellen verwacht dat de melkveehouderij van de toekomst zich vooral concentreert in Noordoost-Nederland: Friesland, Groningen, Flevoland, delen van Drenthe, Gelderland en Overijssel. ‘In dit gebied is de bevolkingsdichtheid lager en zijn er in vergelijking met
bijvoorbeeld Zuid-Nederland minder natuurgebieden. Dat betekent in vergelijking met andere gebieden in Nederland ook minder claims op grond voor woningbouw en natuur.
‘Maar de scherpe scheiding ziet hij niet komen. ‘Daarvoor wordt meedoen aan speciale melkstromen ook voor grote, gespecialiseerde melkveebedrijven te interessant. Of het nu Arla, A-ware of FrieslandCampina is, allemaal werken ze aan een CO2-neutrale melkstroom
en daar speelt grond een grote rol in. Voor grote, hoogproductieve melkveebedrijven die iets dichter bij gebieden met beperkingen zitten, is die grond makkelijker te krijgen dan in de kustgebieden. Nu al zien we dat 10 tot 20% natuur heel goed inpasbaar is. Om die reden zie ik die concentratie bovenin Friesland en Groningen er niet echt van
komen.’

15% krimp in landbouwareaal

Van Dellen verwacht wel een serieuze krimp in landbouwareaal. Van 1,8 miljoen hectare nu naar 1,5 miljoen hectare in de komende tien jaar zou hem gezien alle grondclaims niet verbazen. Maar hij denkt dat dit geen of beperkt gevolgen heeft voor de productieomvang van 14 miljard kilo melk. ‘De technologische ontwikkelingen gaan door. En door klimaatverandering stalvoeren we tegenwoordig bijna tot kerstmis.
Eind maart lopen de koeien vaak al weer buiten. We halen dus veel meer gras van het land waardoor er milieutechnisch genoeg ruimte is om met minder (jong)vee en minder land nog iets meer melk per hectare dan het huidige gemiddelde van 15.000 kilo te realiseren.’ Hij verwacht dat de Nederlandse zuivelindustrie, met wereldwijd een voorloperspositie op
gebied van milieu en klimaat, in staat is om het gros van de melkveehouders met voldoende plus op hun diverse melkstromen het nieuwe tijdperk in te leiden. Daarnaast denkt hij dat CO2-opslag een serieus verdienmodel wordt voor melkveebedrijven. ‘Ik ben dus best optimistisch over de toekomst van de melkveehouderij in Nederland.’

Twee soorten boeren

Het slotwoord is aan een de scheidend voorzitter van FrieslandCampina, Frans Keurentjes. Hoe ziet hij de toekomst van de melkveehouderijsector in Nederland? ‘Net zoals het aantal
supermarkten van 30.000 naar 2.000 slonk zal ook het aantal boeren verder krimpen.’ Hij denkt dat de productieomvang van 14 miljard kilo melk op peil blijft of hooguit licht slinkt. ‘Tien jaar geleden molken we gemiddeld 500.000 kilogram melk per bedrijf. Nu is dat 1 miljoen kilo, dus dat kan over tien jaar zo maar verdubbelen. Als ik kijk naar de kennis, kunde en het ambitieniveau bij de nieuwe generatie melkveehouders ben ik ervan overtuigd dat we ook met relatief weinig boeren en steeds modernere technieken 14
miljard kilo melk kunnen produceren, maar ook nog eens het landschap goed inkleden en rekening houden met duurzaamheid en dierenwelzijn.’

‘NU AL ZIEN WE DAT
20% NATUUR OP
GROTE BEDRIJVEN
HEEL GOED
INPASBAAR IS’

Net als Van Dellen verwacht Keurentjes geen scherpe scheiding van functies in iets als een Agrarische Hoofdstructuur. ‘Daarvoor is stadstaat Nederland te klein.’ Wel een toename van accentverschillen per regio en grondsoort. Ook voorziet Keurentjes – eventjes heel zwart-wit neergezet – twee categorieën melkveehouders. ‘De ene is de categorie hoogwaardig technologisch ontwikkelde bedrijven, die zich in de eerste plaats richten op grondgebonden melken en ‘de bomen en bloemenranden’ er bij doen. De andere categorie zijn de melkveehouders die maximaal inspelen op natuurlijk melken en maatschappelijke dienstverlening, de millenialaanpak noem ik dat. Daar kunnen ze heel goed hun brood mee verdienen.’

Drie criteria

Keurentjes noemt drie criteria waaraan de boeren van de toekomst moeten voldoen. ‘Je moet een beetje plezier hebben om in de stadstaat Nederland te willen blijven boeren. Als ze weer een stuk in de krant schrijven over landschapspijn, niet over de zeik of in mineur raken of boos op de trekker stappen. Je weet dat het bemoeienis van de omgeving erbij. Als tweede criterium noemt Keurentjes ‘dat je snapt hoe je een business runt, hoe je goed geld kan verdienen’. En het derde criterium is de plek waar het melkveebedrijf is gevestigd. Keurentjes: ‘Is het een plek waar een van beide stromen goed mogelijk is, dan moet je kiezen voor de vorm die op die plek de meeste kansen heeft. Je moet daar dan wel energie van krijgen hè? Anders kun je alsnog beter iets anders gaan doen.’