Veel moderne melkkoeien presteren als topatletes. Een prachtige prestatie, maar wel één die om veel scherpte vraagt van de melkveehouder en erg goede voeding. Bij dat voedingsaanbod kunnen verschillende toevoegmiddelen helpen om problemen onder de knie te krijgen. Daarvoor zijn ze bedoeld, niet om fouten in voeding en management te camoufleren.

Een stal vol koeien die probleemloos een rollend jaargemiddelde van meer dan 10.000 kilo melk met goede gehalten laat zien. Dat is het streven van veel melkveehouders. En vaak krijgen ze het ook voor elkaar om de melkproductie op het beoogde niveau te brengen. Maar zonder problemen lukt dat niet altijd. Problemen als slepende melkziekte, leververvetting en melkziekte komen vaak voor. Onderzoek van de faculteit diergeneeskunde in Utrecht laat zien dat het percentage koeien dat na afkalven slepende melkziekte ofwel ketose krijgt, uiteenloopt van 0 tot 80%. En als je weet dat slepende melkziekte, volgens berekeningen van de WUR, gemiddeld € 130 per geval kost, is makkelijk uit te rekenen hoeveel het kan opleveren als koeien aan het begin van de nieuwe lactatie geen ketose ontwikkelen. Voor melkziekte geldt hetzelfde. Elk geval van melkziekte kost € 150 tot € 300.

Dat het op hoogproductieve melkveebedrijven soms misgaat met de gezondheid van koeien aan het begin van de lactatie is niet verwonderlijk, zegt Geert Opsomer van de Universiteit in Gent. Hij geeft leiding aan de vakgroep veegezondheid. ‘Moderne melkkoeien zijn gefokt om veel melk te produceren. En het is genetisch bepaald dat ze voorrang geven aan melkproductie ten koste van lichaamsreserves. Als gevolg daarvan krijgt tegenwoordig bijna iedere melkkoe na afkalven te maken met een negatieve energiebalans. De uitdaging voor de boer is om dat fenomeen in de hand te houden’, betoogt Opsomer.

Begint bij droogstand

‘Iedere melkveehouder weet dat het voorkomen van problemen begint in droogstandsperiode. Of eigenlijk al eerder, want het begint met voorkomen dat je koeien in een té ruime conditie droogzet’. Aan het woord is Jurrien Boerma, voedingsspecialist bij Speerstra Feed Ingredients in Lemmer Hij ziet in de praktijk dat juist in de droogstand de voeding nogal eens afwijkt van wat wenselijk is. ‘Belangrijk is om te zorgen voor een smakelijk droogstandsrantsoen, zeker in de laatste weken van de droogstand. In die periode groeit het kalf volop en drukt het tegen de pens aan. Dan is het van belang om een goede pensvulling te houden. Ideaal is een VEM-waarde van maximaal 850 en 12 tot 13% ruw eiwit.’

Hou het simpel

Een smakelijk, energierijk rantsoen helpt bij het zo beperkt mogelijk houden van de negatieve energiebalans.

Dat het in de droogstand vaak al fout loopt, is ook de waarneming van Alidus Hidding, voedingspecialist bij VIB in Assen. Hij concludeert dat boeren en hun adviseurs het droogstandsrantsoen vaak veel te ingewikkeld maken en dat het juist daardoor misgaat. ‘Waar het mee begint is dat de meeste graskuilen tegenwoordig te goed zijn voor droge koeien’, zegt Hidding. ‘Moderne graskuilen bevatten meer blad en minder stengel dan vroeger gebruikelijk was. Dat maakt ze energierijker en sneller verteerbaar. In veel gevallen is het eiwitgehalte aan de krappe kant. Wel zit er meestal veel kali in. Om zulke kuilen toch te kunnen gebruiken moet er wat ‘grofs’ naast om het rantsoen trager te maken. Ook zien we vaak dat er wat snijmais in het droogstandsrantsoen gaat om het K-gehalte te drukken. Een gevolg daarvan is dat het eiwitgehalte te laag wordt. Dat er vervolgens een kilo raapschroot in het droogstandsrantsoen terechtkomt, is niet ongebruikelijk. Leuk voor de krachtvoerleverancier, maar niet goed voor de kostprijs en ook niet handig als je ruim in het ruwvoer zit’, aldus Hidding.

‘Nog een modeverschijnsel waar ik het niet mee eens ben, is werken volgens het uitgangspunt dat een droge koe minimaal 14 kilo droge stof moet vreten. Ik ken veel bedrijven waar de melkgevende koeien die opname niet eens halen.’
Hidding is voorstander van een droogstandsrantsoen zonder ‘toeters en bellen’, zoals hij het noemt.  ‘En dat begint met winnen van kuilvoer dat geschikt is voor droogstaande koeien. Zelf ben ik nogal enthousiast over rietzwenkgras. Op de meeste bedrijven is er wel een perceel te vinden waar dat prima past, bijvoorbeeld op afstand. Door te sturen met bemesting en maaimoment, kun je op zulke percelen prima droge-koeien-voer winnen.’

Na afkalven

Ook na afkalven is het zaak om te zorgen voor optimale omstandigheden. ‘Een smakelijk, energierijk rantsoen helpt bij het zo beperkt mogelijk houden van de negatieve energiebalans’, zegt Boerma.  ‘Zorg voor veel glucose en bestendig zetmeel. Beide zijn nodig voor een goed functionerende lever.’ Boerma is daarbij voorstander van het verstrekken van choline, in een pensbestendige uitvoering, aan koeien in de transitieperiode. ‘Het is een natuurlijk vitamine B product dat kan helpen bij het voorkomen van slepende melkziekte en leververvetting. In de koe draagt choline bij aan het goed functioneren van de lever met als gevolg minder leververvetting en minder schadelijke ketonen in het bloed van de koe. We hebben goede ervaringen met het verstrekken van choline in combinatie met niacine, ook een B-vitamine. Niacine bevordert de glucosevorming en remt de afbraak van vetweefsel, en draagt zo bij aan het voorkomen van slepende melkziekte.’

Nog een aspect dat volgens Boerma aandacht verdient, is het belang van een goede pensfermentatie, om te voorkomen dat de koe haar afweersysteem moet aanspreken. ‘Bij een slechte pensfermentatie komen endotoxines en onverteerde delen vanuit de pens in de dikke darm. Bacterien als E.Coli en clostridium grijpen daar hun kans om te gaan groeien. Om dit te voorkomen, komt het immuunsysteem van de koe in actie.

‘Meeste graskuilen zijn tegenwoordig te goed voor droge koeien’

Amerikaans onderzoek maakt duidelijk dat een koe, iedere keer dat dit fenomeen optreedt, 300 tot 400 gram glucose nodig heeft en ook verbruikt. Als boer heb je natuurlijk liever dat ze die glucose kan gebruiken om 3 tot 4 kilo melk van te produceren. Want dat is wat het kost: ruim 3 kilo melk.’
Boerma wijst in deze context op de goede effecten die hij ziet bij het gebruik van Diamond V, een gefermenteerd gist dat de werking van pensbacteriën stimuleert waardoor minder endotoxines in de pens ontstaan. ‘Amerikaans onderzoek heeft aangetoond dat het gebruik van Diamond V in de eerste zeventig lactatiedagen leidt tot een extra opname van 1 kilo drogestof per koe per dag.’

Terughoudender

Opsomer is terughoudender als het gaat om het gebruik van additieven als choline en niacine. ‘Daarmee wil ik niet zeggen dat je er geen gebruik van moet maken. Ik weet dat uit onderzoeken blijkt dat bepaalde toevoegingen wel degelijk positieve effecten kunnen hebben. Waar ik voor wil waarschuwen, is dat je niet bepaalde producten in het rantsoen stopt uit een soort gemakzucht of om een tekortkoming in voeding of management te maskeren. Zorg altijd eerst dat de basis goed is en kijk pas van daaruit verder. Daarbij is de kostprijs natuurlijk ook een aandachtspunt. Ook al hebben additieven een positief effect; het is altijd nuttig om een grondige kosten-batenanalyse te maken.’