De markt van het nemen van monsters en het analyseren van data neemt een vlucht. Opkomende speler Van de Meerakker/Nutrilab speelt daarop in. ‘Steeds meer boeren zien de toegevoegde waarde ervan in.’

Hij bemonstert tien tot twintig percelen per jaar, maar ook mest-, stikstof- en kuilanalyses krijgt hij regelmatig onder ogen. Voor René Cruijsen, biologisch melkveehouder en akkerbouwer in Dreumel, zijn deze data van cruciaal belang. ‘Ik wil weten wat ik voer en wat ik op mijn land te kort kom aan mineralen. Zeker voor een biologisch bedrijf als de onze zijn die gegevens erg belangrijk.’

Als hij organische stof in zijn land te kort komt, zaait hij grasklaver in of strooit hij gips om het perceel te verbeteren. Een andere keer kiest hij voor vruchtwisseling. ‘Ik heb maar een beperkt aantal middelen beschikbaar om te sturen, dus ik moet alle data zo goed mogelijk in kaart hebben, zodat ik alles zo goed mogelijk kan benutten.’

René Cruijsen (links) en monsternemer Jan van der Weijden beoordelen een net gestoken monster van ingekuild Italiaans raaigras dat als groenbemester was ingezet. Foto: Jan Bouwhuis

Toegevoegde waarde

Cruijsen is niet de enige die zo redeneert. Steeds meer boeren zien de toegevoegde waarde van monsternames en de daarbij behorende data-analyses in. Data wordt steeds belangrijker op het boerenerf. ‘Er is een groep boeren die het nemen van monsters nog steeds ziet als een verplichting, als een noodzakelijk kwaad’, zegt Ruud van de Meerakker van Van de Meerakker Service. ‘Maar ik denk dan, als het toch moet, doe er dan je voordeel mee. Het goed interpreteren van data levert rendement op.’ 

‘Uit onderzoek blijkt dat je met data van grond, kuil en mest 15 procent meer opbrengst uit je dieren kan halen’, voegt zijn collega Pieter Vos van Nutrilab, toe. ‘Gelukkig is er een steeds groter wordende groep boeren die die toegevoegde waarde inziet. Het credo ‘meten is weten’ geldt ook hier.’

Sinds januari 2017 werken de twee bedrijven samen en zijn een opkomende speler in de markt van monsternames en data-analyses. Ze springen in een gat dat enkele jaren geleden ontstond toen menig agrarisch laboratorium overgenomen werd. ‘Hierdoor werden veel veehouders verplicht om zaken te doen met een dominante partij, maar dat past niet bij elke boer’, zegt Van de Meerakker die zelf van een varkensbedrijf komt. ‘Wij willen ze met onze ‘one stop shop’, een totaalpakket voor de boer, een alternatief bieden.’

Pieter Vos

‘Daarin hebben we elkaar ook gevonden’, vult Vos aan. ‘We hebben dezelfde houding. Ontzorgen staat bij ons voorop. We zijn enorm servicegericht. Ik denk dat dat ons ook onderscheid van andere partijen in deze markt. We zijn proactief en denken mee met de veehouder.’

Ter illustratie vertellen ze een anekdote van vorig jaar, tijdens de droge zomer, die een enorme diversiteit aan kuilen opleverden. ‘Eén analyse van een kuil was niet voldoende. De kwaliteit binnenin een kuil verschilde zoveel, dat we veel aanvragen kregen voor snijvlakmonsters. Wij kunnen dan binnen 24 uur ter plaatste zijn en binnen 48 uur heeft de betreffende boer de analyse binnen. Al komt het voor ons nog zo ongelegen of ligt het in zo’n uithoek, wij lossen het op’, zegt Van de Meerakker.

Groei in markt

De twee ondernemers voorspellen groei in de markt van monsternames. ‘Data wordt steeds belangrijker. Denk alleen al aan de wet- en regelgeving’, zegt Van de Meerakker. ‘Nu minister Carola Schouten heeft aangekondigd een nulmeting te willen doen om de bodemgesteldheid in kaart te brengen, zal zij dat zeker gebruiken om nieuw beleid op af te stemmen. De boer zal daar ook de gevolgen van ondervinden en moet op termijn wellicht vaker bodemanalyses laten uitvoeren.’

Maar ook binnen het boerenbedrijf neemt de behoefte aan cijfers toe. ‘Smart farming is zo’n voorbeeld. De data die wij verzamelen, kan daar prima voor gebruikt worden’, zegt Van de Meerakker.

‘Groep die toegevoegde waarde van monstername ziet, groeit’

‘Daarnaast staat er enorme druk op het boerenerf’, zegt Vos. ‘Niet alleen de wet- en regelgeving, maar ook het klimaat en rendement zorgen voor druk. Dat houdt in dat veehouders steeds efficiënter moeten gaan werken. Dat betekent grotere bedrijven met meer management. Daarmee neemt de behoefte aan data en analyses toe. Dat tij is niet meer te keren.’

Ook heeft de veehouder zijn cijfers nodig om het sentiment in de samenleving te kunnen pareren, stelt hij. ‘Dat zie je nu weer met zo’n club dierenactivisten, die uren bij die varkensboer hebben gebivakkeerd. Hun beweegredenen zijn puur gebaseerd op sentiment. Dierenwelzijn is juist gebaat bij grotere bedrijven. Dus wil je als boer aan het roer blijven en de juiste beslissingen nemen op basis van data in plaats van sentiment, dan heb je data en analyses nodig om mee te sturen.’

Adviesrol

Op kort termijn willen de twee heren hun markt verder uitbreiden. Op langere termijn zien ze ook een adviesrol voor zichzelf weggelegd. ‘Begrijp me goed’, zegt Van de Meerakker. ‘Wij willen niet op de stoel van de voerleverancier gaan zitten. Onze taak is het leveren van betrouwbare cijfers. Wij zijn onafhankelijk en hebben dus geen belang bij goede of slechte cijfers. Maar om de veehouder te kunnen ontzorgen, willen we ook de mogelijkheid creëren deze te adviseren.’

Ruud van de Meerakker

Daarnaast valt er nog veel meer te achterhalen. ‘Vreest een boer voor botulisme in zijn kuil, dan gaan we daarmee aan de slag. Zo zijn er nog veel meer onderwerpen. Wat dacht je van drinkwater? Je kan je voer- en kuilmanagement nog zo op orde hebben, maar als je koeien matig drinkwater tot hun beschikking hebben, krijg je nooit hoog producerende dieren’, zegt Van de Meerakker. ‘Datzelfde geldt voor luchtkwaliteit in stallen. Dat gaat een item worden. Daar ben ik van overtuigd.’  

Analyses nodig

Terug naar René Cruijsen. Zijn biologisch melkveebedrijf bestaat uit honderd melkkoeien met een rollend jaargemiddelde van 8.000 liter. Daarnaast kent het familiebedrijf een akkerbouwtak van 160 hectare, waarvan 80 hectare akkerbouw en 80 hectare voor het melkvee. De keuze van zijn krachtvoerbrok stemt hij af op zijn kuilanalyses. ‘Ik moet blijven bijsturen om productie te behouden. Meestal is het energiegehalte wel goed, maar wat betreft eiwit wisselt het nog wel eens.’

Twee jaar geleden is hij begonnen met het telen van zijn eigen krachtvoer. Zijn doel is om binnen vijf jaar geen krachtvoer meer hoeven aan te kopen. ‘Het staat me tegen dat ik als biologisch boer krachtvoer niet uit mijn eigen omgeving haal en door aan te kopen ben je altijd duurder uit. Dus ik heb hier zelf ook economisch voordeel bij.’

Hij teelt nu triticale en erwten en is ervan overtuigd dat hij zijn doel gaat halen. ‘Waar een wil is, is een weg, maar ik heb er wel data-analyses voor nodig. Anders kom ik er niet.’