Het is als een dijk die op doorbreken staat: je vecht je kapot om het onvermijdelijke nog tegen te houden, maar weet in je hart al dat er geen houden meer aan is. De dijk gaat straks een keer doorbreken en wat dan?

In die fase zit de melkveehouderij in Nederland. De roep om minder koeien wekt al geen verbazing meer, maar is een gegeven. In het stikstofdossier vieren andere belangen en daarmee ook het geniep hoogtij. Met als eindresultaat dat boeren uiteindelijk vee en grond moeten inleveren. In Friesland schuift een gedeputeerde de verantwoordelijkheid voor de achteruitgang van weidevogels doodleuk op het bordje van de boeren. Terwijl een helikopterview zou laten zien dat graslandintensivering slechts één van de vele oorzaken is: er zijn nog zoveel andere waar geen aandacht aan wordt besteed.

Aan alle kanten wordt het mes gestoken in de sector die het landschap in Nederland maakte en kleurde. Het wordt steeds duidelijk dat de melkveehouderijsector vriendelijk doch steeds iets dwingender en minder vriendelijk wordt verzocht plaats te maken voor andere belangen. ‘De keus is simpel: ‘Wil je koeien of huizen’, stelde Jesse Klaver van Groen Links in het debat met CDA-er Wopke Hoekstra. Nog maar een paar jaar geleden was zo’n statement ondenkbaar in ons land met het door boeren gemaakte cultuurlandschap. Inmiddels is het een serieuze vraag die door menig Randstedeling zal worden beantwoord met: ‘Doe mij maar huizen.’

Nu koesteren heel veel Nederlanders warme sympathie voor boeren. Boeren zijn authentiek en dat maakt hun geliefd. Maar de meesten vinden dat boeren zich zachtjes aan ook wel een beetje mogen schikken in het steeds voller wordende Nederland. Voor boeren die bereid zijn te schikken, blijft er ruimte en verdienvermogen. Zeker voor de ondernemers die zich naast melken richten op maatschappelijke diensten en de burger proberen te gerieven. Maar ook voor de hele grote, steeds meer koeien houdende melkveehouder blijft er ruimte. Zolang hij met een deel van zijn bedrijfsvoering maar nadrukkelijk uitstraalt zich te schikken naar hoe de Nederlander graag ziet hoe Nederland eruit moet zien.

Dit alles is bepaald geen gemakkelijke opgave. Het wordt als boer passen en meten om in Nederland bestaansrecht te houden. Voor de boer die houdt van ondernemen een prachtige uitdaging. Wil je dat gezeik allemaal niet? Dan moet je emigreren. Of eindeloos met ‘boze’ trekkers blijven rondrijden om proberen je gelijk te halen.
Ook al heb je op onderdelen best een punt, stop ermee want het werkt alleen maar contraproductief. Gelijk krijg je niet en zul je ook nooit meer krijgen. Daarom is het beter om als boerenorganisaties – hoeveel zijn het er inmiddels – nu eindelijk ééns alle persoonlijke belangen overboord te gooien en te kijken hoe je samen een methode vindt om gelukkig boer te blijven in Nederland.