Wie wint de strijd om de grond? Die vraag wordt binnen de agrarische sector steeds vaker
gesteld. Tot voor kort dacht ik dat die vraag al beantwoord was. Dat wil zeggen: de bouw,
industrie en natuurlobby strijden nog mee; de agrarische sector haakt af en mag hopen dat
er enige ruimte overblijft om over pak ‘m beet vijftig jaar ook nog professionele landbouw op redelijke schaal uit te voeren in Nederland.

Inmiddels twijfel ik of dat idee wel klopt. Allereerst verrasten de afgelopen maanden enkele
toekomstgerichte rapporten over ruimtelijke ordening. Hierin wordt gepleit voor een soort
Agrarische Hoofdstructuur. Kort gezegd komt het idee er op neer: reserveer en bescherm de meest vruchtbare gronden voor de sterke agrarische sector die Nederland kent. Een idee waar eerder ook mensen als Louise Fresco, Cees Veerman en Rudy Rabbinge al voor opteerden. Deze prominenten hebben nog een soort van link met de landbouw of worden door criticasters zo gezien. Nu nemen verschillende andere vooraanstaande wetenschappers en hoogleraren, gelinkt aan onder andere Wageningen UR en LNV, deze visie in recente rapportages over.

De agrarische sector schreeuwt de laatste jaren om regie op verdeling van de ruimte. Daar
wordt dus nu gehoor aan gegeven. En als gezegd: de meest recente en zwaarstwegende
rapportages daaromtrent zijn minder zwartgallig dan menig boer wellicht had gedacht.
Echter, bij een agrarische hoofdstructuur valt ook een heel deel van de huidige landbouw
buiten de ’uitverkoren’ regio’s. Als het aan het de beleidsmakers ligt, transformeren
agrariërs in die landsdelen grotendeels tot veredelde parkwachters. Tenminste, zo zal het
door een deel van de huidige melkveehouders worden beleefd.
Daarnaast zorgt aanhoudende grondschaarste ervoor dat kapitaalkrachtige investeerders,
vanuit binnen- en buitenland, zich alleen maar actiever roeren om agrarische grond in handen te krijgen. Zo’n herstructurering drijft de grondprijzen in de meeste regio’s
waarschijnlijk dus alleen maar verder en sneller op.
Ook geeft zo’n herstructurering voor de geselecteerde regio’s geen antwoord op de
maatschappelijke roep om meer zichtbare uiting van natuurinclusieve landbouw. Dat kun je afdoen als onzin, maar die roep zie ik niet meer verstommen.

Enthousiaster word ik daarom van initiatieven van onderop. Bijvoorbeeld van boeren die de handschoen hebben opgepakt om samen met burgers grondcoöperaties op te richten. ‘Pijpkaneel’ nabij Workum geniet al wat voorzichtige bekendheid, maar er zijn meer in oprichting. Kort gezegd komt het hier op neer: melkveehouders en burgers vormen samen een coöperatie, kopen op fifty-fifty-basis grond aan en bepalen samen hoe dat wordt ingericht en beheerd.
Voor de hand ligt dat de burgers kiezen voor minder maaien, minder
bemesten en hogere waterstanden om meer biodiversiteit te stimuleren. Prima. Daar betalen ze nu dan eindelijk ook letterlijk voor.

Zijn dergelijke initiatieven zaligmakend en eenvoudig te regelen? Nee, natuurlijk niet. Het positieve zit ‘m erin dat de melkveehouders initiatiefnemers zijn van deze alternatieve manier van ruimteverdeling. Het is een proactieve vorm van zelf regie pakken en stappen voorwaarts zetten. Iets wat onze jonge nieuwe columnisten Roy Meijer als NAJK-voorzitter en Pieter van der Valk (medeoprichter van grondcoöperatie Pijpkaneel) in de nieuwe editie van Melk van het Noorden ook bepleiten. De strijd om de ruimte is op deze manier nog niet volledig beslecht. Dat komt omdat er gelukkig nog voldoende (jonge) boeren zijn die niet slechts om regie vragen, maar deze zelf pakken.