Betaald worden voor de CO²-vastlegging in de bodem. In Oostenrijk bewijzen boeren en bedrijven dat het kan. Deelnemers zijn positief, maar serieuze knaken levert het nog amper op.

bestuurders en bedrijfsleven verbleef medio november in de regio Kaindorf in Oostenrijk. Bij de ‘Ökoregion’ trachten ze kennis te vergaren hoe je CO²- vastlegging in landbouwbodems kunt vergoeden. Aan het project, dat ruim vijf jaar geleden werd opgezet, doen inmiddels bijna 200 boeren mee. Zij brengen gezamenlijk 2.000 hectare in en verdienen gemiddeld € 300 per hectare. Net als in meerdere landen moeten Oostenrijkse MKB’ers en grotere bedrijven aantoonbaar hun CO²- uitstoot compenseren. Binnen het project van Ökoregion Kaindorf kopen bedrijven hun maatschappelijke plicht af door afname van certificaten van de deelnemende boeren. Deze boeren leggen CO² vast in de bodem door het organische stof gehalte te verhogen.

€ 30 per ton CO²

Uit één perceel is drie keer een monster gestoken op ongeveer dezelfde plek. Links is de nulmeting, in het midden na drie jaar en rechts na zeven jaren deelname aan het project.

Schrijft een boer zich met één of enkele hectares in voor deelname, dan wordt een grondmonster genomen en het organische stof gehalte bepaald. Na 2 tot 5 jaar (vrij te kiezen door de boer) wordt opnieuw een monster genomen. De € 290 kosten voor de monsters zijn voor de agrariër. Per perceel van maximaal 5 hectare is één monster toereikend, wat tot 25 centimeter diepte wordt genomen. Op basis van de uitslag wordt bepaald hoeveel de toename is in organische stof en hoeveel CO² dat betekent. Een stijging van 0,3 procentpunt organische stof staat voor 11 ton CO² opslag. Per ton betaalt een bedrijf die een certificaat afneemt € 45. Van die opbrengst gaat € 30 naar de boer. De rest is bestemd voor programmakosten en belastingen.

De uitbetaling volgt voor 60 procent direct na de meting van de vastlegging. De deelnemers moeten door de tweede monstername bewijzen dat het organische stof gehalte minimaal op hetzelfde niveau ligt. Zo ja, dan wordt de overige 40 procent uitgekeerd. Zo nee, dan wordt dat laatste deel niet uitgekeerd. Bij een daling moet de deelnemer zelfs een deel van het eerdere bedrag terugbetalen. In de praktijk is dat nog niet voorgekomen, vertellen de Oostenrijkse initiatiefnemers. Gemiddeld behalen de deelnemers een toename van 10 ton aan CO²- equivalenten aan vastlegging in de bodem per hectare. Dat levert hen gemiddeld dus € 300 per hectare op. Bij een hogere vastlegging en veel hectares resulteert dat in een interessante bijverdienste.

Verschillende deelnemers haalden zo’n € 10.000 op en de topper zelfs € 26.000. Let wel: deze uitkering is ‘slechts’ na een volgende monstername en dus niet jaarlijks.

Compost strooien

Hans-Peter Spindler (58) en zijn zoon Hans-Peter Jr. telen mais, gerst en soja op 90 hectare leemachtige-kleingrond. Daarnaast houden ze 200 zeugen en 600 mestvarkens in een gesloten systeem. Splindler startte met 1 hectare, nu participeert hij binnen het programma met 10 hectare.

Baat het niet dan schaadt het niet, dacht ik.

‘Onze percelen zijn soms lastig te bewerken door een storende laag in de bodem. Ik besloot daarom bijna zeven jaar geleden een perceel van 1 hectare aan te melden voor een pilot van dit project. Baat het niet dan schaadt het niet, dacht ik.’ Spindler besloot zijn perceel niet meer te ploegen, maar louter met een Grubbe schijveneg te bewerken. Na de oogst zaaide hij een groenbemester in en het eerste jaar strooide hij er 150 ton compost op in het vroege voorjaar. In de jaren erop meldde hij nog 9 hectare aan. Ook deze percelen worden niet meer geploegd en krijgen na het eerste jaar, drie jaar op rij, nogmaals 100 ton compost toegediend.

De groenbemesters die ingezet worden, zijn gras/klaver of boekweit. Andere teelten bevallen de akkerbouwer annex varkenshouder niet. De overige bemesting van de deelnemende percelen betreft 45 kuub drijfmest uit de varkensstal en 70 kilo stikstof uit kunstmest. Het gebruik van kunstmest is binnen het project niet verboden, maar een laag gebruik wordt aangeraden. Een aantal andere zaken worden als ‘dringende aanbevelingen’ aangeduid. Dat betreft:

  • Uitsluitend met compost of stalmest en groenbemesters bemesten
  • Minimale grondbewerking, liefst helemaal niet ploegen
  • Permanente vergroening
  • Gewasrotaties toepassen
  • Reductie, liefst 100%, van chemicaliën.

Juni 2019 plannen voor Noord-Nederland klaar

De delegatie Noordelijke boeren en bestuurders die onlangs Oostenrijk bezocht, komt binnenkort weer bij elkaar om de bevindingen te evalueren. Dan wordt ook gekeken hoe dit hier implementeerbaar is.

Exact kopiëren van het Oostenrijkse model zal dat waarschijnlijk niet zijn. Zo wordt er getwijfeld aan het gebruik van de grote hoeveelheden compost binnen het project in Kaindorf.

De intentie is echter ondertekend om in juni 2019 bij het Oostenrijkse project als partner aan te sluiten. Voor die tijd is het de bedoeling dat sowieso de eerste pilots in Noord-Nederland los zijn of kunnen.

Opvolger minder positief

Spindler heeft inmiddels van al zijn percelen een tweede monster laten nemen en geld uitgekeerd gekregen. Hoeveel dat precies is, wil hij niet zeggen. Wel dat het het gemiddelde overstijgt. Toch is de maatschap niet onverdeeld positief. Dat wil zeggen: senior is positief en wil het areaal uitbreiden binnen dit project. Zijn zoon twijfelt sterk. ‘Ik zie dat de homogeniteit en de doorlaatbaarheid van de bodem zichtbaar beter wordt bij een stijging van het OS-gehalte’, licht Hans-Peter sr. toe. ‘Bij stortbuien wil het water beter weg en bij droogte houdt de bodem het water langer vast. Dat komt de vruchtbaarheid en de bewerkbaarheid ten goede. Vooral dat laatste zie ik als een belangrijke vooruitgang. Op een aantal percelen is het nu echt lichter en fijner werken en de opbrengsten van de gewassen bijvoorbeeld zijn zichtbaar hoger.’

Tel je de kosten van bijvoorbeeld de compost op dan komen we ongeveer neutraal uit

Zijn zoon is minder positief. Die kijkt naar de opbrengsten en kosten en concludeert dat er weinig aan wordt verdiend. ‘Daar heeft hij gelijk in. Tel je de kosten van bijvoorbeeld de compost op dan komen we ongeveer neutraal uit’, geeft senior toe. ‘Bovendien zijn er ook percelen die niet deelnemen in het project, welke we wel jaarlijks ploegen, die vergelijkbare opbrengsten geven. Maar bovenal vindt mijn zoon het veel gedoe voor weinig geld. Ploegen, zaaien, oogsten en weer door. Dat vindt hij nu nog mooier. Maar langzaamaan verandert zijn houding ook. Hij is al wat positiever geworden. Ik verwacht dat hij wel door wil op deze weg. Zeker met de huidige percelen, maar wellicht ook wel met meer nieuwe percelen. Ik probeer hem te stimuleren door te stellen dat het voordeel zich later uitbetaald.’

Hans-Peter Spindler (links) en Gerhard Dunne tonen, op 31 mei dit jaar, de grond in een perceel die de laatste vijf jaar sterk aan kwaliteit won en welke als CO²-opslag geldt door minimale grondbewerking.

Vragen blijven

Voor het project als geheel rijzen nog wel vragen. Bijvoorbeeld over de meetmethode van het organische stof (OS)-gehalte. Internationaal gezien zijn onderzoekers het eens dat het lastig en grillig is om dit goed te meten. En wat te doen als het OS-gehalte op een niveau komt dat het niet meer stijgt? Met daarbij de vraag: hoe om te gaan met boeren die willen inschrijven en al relatief hoge OS-gehalten hebben in hun percelen omdat ze reeds jaren inzetten op beter bodembeheer en stimulering van het bodemleven? Die inzet wordt niet beloond in de huidige systeemopzet. ‘Dat zou je denken, maar toch lijkt het daar beslist niet op’, zegt Gerhard Dunne. Hij is voorzitter en mede-initiatiefnemer van de Ekoregion Kaindorf. ‘De laatste jaren blijkt steeds opnieuw dat wij nog geen eindpunt voor de stijging van organische stof hebben bereikt. Sterker nog, percelen die starten met meer dan 5 procent organische stof (OS) stijgen gemiddeld meer in OS-gehalte dan percelen waar het OS-gehalte veel lager is. Dat geldt ook als het OS-gehalte al boven de 8 procent ligt, die voorbeelden hebben we ook. Dit heeft ons ook erg verrast, maar ik verzeker u dat het hier in Oostenrijk zo uitpakt. Zowel op zand- of kleigronden. Wij kunnen dus nog wel even vooruit hier.’