Amber Laan (30) uit het Noord-Hollandse Warder is portefeuillehouder melkveehouderij bij het NAJK, de belangenbehartiger voor jonge boeren die sinds de kabinetsbrief van 26 juni sterk wordt bekritiseerd. Amber is goedlachs van aard, maar noemt zichzelf ‘bepaald niet de meest diplomatieke bestuurder’. En wie haar voor de bus gooit, krijgt het te horen. ‘Dan bel ik je op en haal ik verhaal.’ Een gesprek over de belangenbehartiging van jonge boeren – en de lastige vraag hoe je hun belangen dient als belangenbehartigers vooral met elkaar overhoop liggen.
Het was geen rustige zomer voor jou. Hoeveel uren ben je per week bezig met je bestuurswerk?
‘Hahaha, daar word je niet blij van. Geen idee hoeveel uren er in gaan, maar het is inderdaad druk. Eigenlijk ben je er elke dag steeds wel mee bezig, omdat leden appjes en mailtjes sturen en er mensen bellen. Daarnaast hebben we ledenrondes gehouden nadat de brief eind uitkwam. Dat vraagt natuurlijk ook afstemming en het levert weer reacties op. Had ik dit bestuurswerk niet gedaan dan had ik mijn bedrijf versneld tien stappen verder kunnen brengen of een andere hobby moeten zoeken.’
En die prijs is het jou waard?
‘Ja, want ik vind het echt van belang. Jonge boeren gaan voor het langere termijn belang en die stem moet echt gehoord worden.’
Andere belangenbehartigers moeten ook de belangen verdedigen van oudere boeren; loopt dat jullie als jonge boeren soms voor de voeten?
‘Ongetwijfeld. Het is andere organisaties hun goed recht om vooral voor de korte termijn te strijden. Maar als je geen opvolger hebt of zelf geen jonge boer bent, kun je veel makkelijker zeggen dat alles rond stikstof onzin is. Maar een jonge boer moet en wil nog zeker 30 jaar door en kan dus die houding niet aannemen.’
En dat geeft spanningen binnen de belangenbehartiging?
‘Klopt. Want nu wordt de focus door meerdere groeperingen binnen de sector gelegd op het van tafel halen van de kabinetsbrief. Oké, stel dan gebeurt dat. Of het kabinet valt. Maar wat dan? Dan kan iedere boer met ontwikkelingsplannen weer in de pauzestand.’
Er is ook veel kritiek op de rol die NAJK speelde in het overleg met de regering voorafgaande aan de kabinetsplannen. Wat doet dat met jou?
‘Dat had beter gekund. We hadden nog beter moeten uitleggen wat onze inzet was, wat er in de brief staat op basis van keuzes van het kabinet én wat wij anders willen zien. En dat doen we nu ook beter. Natuurlijk hoor en zie ik daarnaast ook wel de kritiek vanuit andere organisaties. Mijn vader is overtuigd NMV- en DDB-lid en deelt met mij dagelijks z’n zienswijze dus dan weet je wel genoeg. Daar vind ik ook wel wat van, maar ik probeer altijd mijzelf voor te houden dat ik het niet nodig heb om anderen af te vallen om mijn eigen boodschap over te brengen.’
Dat geeft vast vaak ‘leuke’ discussies met je vader?
‘Elke dag! Mijn vader heeft nu een week lang een verbod door mij opgelegd gekregen om over stikstof te praten. Gewoon omdat ik het even zat was. Hij heeft een andere stijl en staat 100% anders in de wedstrijd. Die leden hebben wij als NAJK natuurlijk ook. Tegelijkertijd zie ik vooral ook veel bereidheid onder onze leden die juist wel over langetermijnmaatregelen willen praten. Want zeker PAS-melders en interimmers staan al jaren stil en voelen zich bedreigd door clubs als de MOB. Ook andere melkveehouders willen duidelijkheid, ook al is die pijnlijk. De stilstand nekt ons jonge boeren.’
Koeien, weidevogels en… veel ganzen
Amber Laan heeft in maatschap met haar ouders in Warder (NH) een melkveebedrijf
met zo’n 80 melk- en kalfskoeien met ruim 60 hectare grond. Het bedrijf ligt in een Natura 2000-gebied dat als niet-stikstofgevoelig is aangemerkt. Om die reden is het bedrijf niet in een zone ingetekend, maar werd de derogatie een paar jaar geleden wel in één keer afgenomen. Het bedrijf doet volop aan agrarisch natuurbeheer om weidevogels te beschermen. Dat werkt volgens Amber goed. ‘Maar ganzen hebben we het hele jaar door hier ook. Dat wordt vergoed, maar kost ons naast opbrengst ook kwaliteit van het ruwvoer.’ Alle veldwerk besteed Amber uit aan de loonwerker; de koeien en alles in de stal is haar onderdeel. Haar vader Robert heeft ook een bandenbedrijf en besteedt het meeste van zijn tijd aan dat bedrijf.
Wat hebben jullie de NAJK-leden toegelicht over jullie inzet om tot de kabinetsplannen te komen?
‘Wij hebben bij het ministerie sterk gepleit voor de invoering van een juridisch houdbare rekenkundige ondergrens. Iedereen zegt: voer ‘m nu meteen in. Maar als dat juridisch niet goed dicht getimmerd is, krijg je die als een boemerang terug. Dat willen wij voorkomen. Een ander punt is doelsturing op ammoniak. Daar zijn wij voorstander van en daar is heel veel kritiek op. Maar dit punt hebben we vooraf heel zorgvuldig met onze leden besproken. Daarmee zorgen we namelijk dat iedereen een bijdrage kan leveren en de opgaves in de zones nog enigszins behapbaar blijven. Hieruit is die 0,164 uit stalemissies naar voren gekomen. Die norm vinden wij ook veel te streng. De minister heeft de WUR hier aan laten rekenen; die kwamen uit op een bandbreedte van 0,12 en 0,22; daarom is de minister ongeveer in het midden gaan zitten met als uitkomst deze 0,164 norm. Wij moeten dat overal uitleggen omdat anderen het aan ons plakken alsof dat uit onze koker komt. Prima, maar dat vergt dat wij moeten uitleggen hoe het echt is gelopen.’
Jij zegt prima, maar vind jij het echt prima dat anderen het doen voorkomen dat dit de schuld is van NAJK?
‘Nee, dat vind ik niet prima. Maar blijkbaar hebben collega-organisaties het nodig om anderen de schuld te geven; anderen die feitelijk hetzelfde doel dienen, namelijk de belangen van melkveehouders. Wat wel kan is dat je zegt: ik geloof niet in doelsturing. Wij zien dat anders. Wij geloven dat innovatie ons de komende jaren nog veel meer gaat brengen, mits de overheid een betrouwbare partij is.’
Maar die overheid is toch volgens veel melkveehouders niet betrouwbaar?
‘Ik dacht een paar jaar geleden ook dat het vertrouwen in de overheid tot een absoluut dieptepunt was gezakt, maar nu is het nog dieper gezakt. En met de vergunningenkwestie, die onder andere in Brabant speelt, is dat ook volstrekt logisch. Voor ons als NAJK is dat ook een grens. Als er geen overheidslaag voor gaat staan die de NB-vergunningen beschermt dan hoeven wij niet meer aan tafel te praten over stikstofbeleid.’
Dat is stevige taal, niet een toon die we vaak vanuit NAJK horen.
‘Ik denk dat de leden-melkveehouders van de NAJK mij en mijn stijl inmiddels wel kennen. Ik ben niet de meest diplomatieke bestuurder. Ik bedoel: als ik voel dat er om de hete brij heen wordt gedraaid dan benoem ik dat wel. Net zo goed dat ik anderen aanspreek als ze niet consistent zijn. En als mensen mij voor de bus gooien dan bel ik ze op.’
Wat bedoel je daarmee?
‘Ik bedoel dat je het ene moment met elkaar zit te overleggen en niet lang daarna krijg ik berichten op de app met artikelen over dat NAJK de veehouderij een mes in de rug zou steken. Als je dat zo belangrijk vindt om in de media te delen, vind ik ook dat je mij dat vooraf en open in mijn gezicht moet zeggen.’
Wie doet dan zoiets?
‘Collega-belangenbehartigers.’
En dat raakt jou?
‘Persoonlijk valt dat wel mee. Maar wat ik zo frustrerend vind is dat de melkveehouderij met stip op 1 staat qua verdeeldheid. Terwijl ik denk: zullen we alsjeblieft proberen er samen iets van te maken? Dat vraagt natuurlijk van iedereen flexibiliteit op de standpunten. Dat kan, daar ben ik van overtuigd. Maar het lukt niet. En bijna nooit om de inhoud, maar door hoe we met elkaar omgaan binnen de belangenbehartiging. En dat vind ik zo frustrerend voor mijn collega-melkveehouder. Ik pleit er al langer voor om samen in een hok te gaan zitten en bijvoorbeeld op grondgebondenheid met elkaar tot één standpunt te komen en dat naar de minister te brengen. Dan kan de minister eigenlijk niet anders dan dat overnemen, want de hele sector draagt dat. Echter, dat lukt gewoon niet.’
‘Ik vraag mij altijd af: wat gebeurt er als we niets doen?’
Als dat niet lukt dan zit ‘m dat toch wel op inhoud?
‘Volgens mij valt dat mee. Ook nu lijkt dat zo wanneer sommigen zeggen ‘de brief moet van tafel’ en wij zeggen ‘de brief moet anders op bijvoorbeeld indeling van de zonering en grondgebondenheid’. Spreek je elkaar dan één op één dan ben je het eigenlijk helemaal tot grotendeels met elkaar eens. Het zit ‘m daarom volgens mij meer op hoe je je opstelt richting een overheid. Wij kiezen voor proactief opstellen; omdat de overheid het anders voor ons invult. Anderen willen niet meer overleggen.’
Met als gevolg dat je nergens toe komt.
‘Precies. Het is net als bij een rijles. Als je niet weet waar je naartoe moet, rij je nergens heen en bots je tegen stoepranden op of nog erger. Zo is het ook met belangenbehartiging; als je niet weet waar je naar toe wilt dan kom je daar ook niet. Ik kan ook heel goed omschrijven wat er allemaal niet goed gaat, maar dan zegt de minister: leuk, maar wat wil je dan wel?’
Maar als je gaat overleggen en onderhandelen met het ministerie over beleidsplannen dan neem je toch een bewust risico dat de minister met scherpere doelstellingen komt dan jij wilt?
‘Klopt, maar wat als je niets inbrengt? Want bijvoorbeeld een norm voor ammoniakemissies per hectare was ook een optie. Dat willen ook verschillende partijen, maar velen in de melkveehouderij beslist niet. Wij wilden dat ook veldemissies meegerekend worden binnen de emissienorm per bedrijf, maar daar is de minister niet in meegegaan. Daar strijden we nog wel voor, maar die slag is vooreerst verloren. Dat is balen en we leggen ons er dus niet bij neer, maar zo werkt het in een democratie.’
Bedoel je ook dat de sector moet accepteren dat we niet zo’n sterke stem meer hebben in Den Haag?
‘Laat ik het zo zeggen: we leven in het tijdperk van de NGO’s. Er wordt zoveel druk uitgeoefend op het boerenerf door NGO’s; die impact is enorm. Louter met de vuist op tafel slaan, werkt niet. Was dat wel zo, dan was dat de afgelopen jaren al lang gelukt. Want het is volop geprobeerd.’

Hoe probeer je dan wel te werken aan aanpassing van de kabinetsplannen?
‘Door te drukken op verschillende zaken die volgens ons anders moeten. Bijvoorbeeld die 2,6 GVE voor grondgebondenheid met 85% grasplicht op zandgronden. Dat is veel te stevig en heeft niets te maken met stikstof. Koppel dat daar dan ook niet aan.’
‘Tegelijkertijd proberen wij steeds het langetermijnbelang te dienen. Hoe zorg je bijvoorbeeld voor een mestbeleid dat interessant is voor de melkveehouderij. Nu zie je immers gebeuren dat steeds meer grasland wordt omgezet in bouwland. Dat is niet positief voor de waterkwaliteit en zoiets loopt de melkveehouderij voor de voeten. Een verbeterde waterkwaliteit kan ons namelijk helpen om iets van een derogatie terug te krijgen, niet op korte termijn maar wel na 2030. Daarvoor is in onze visie doelsturing nodig en bijvoorbeeld triggers inbouwen die maken dat akkerbouwers ook grasland opnemen in hun bouwplan.’
Maar daarvoor is meer overheidssturing nodig. Van een overheid waar bijna niemand nog op vertrouwt…
‘Als je zo redeneert, blijf je in een ‘loop’ zitten. Ik probeer mijzelf altijd af te vragen wat er gebeurt als we niets doen. Dan zie ik een melkveehouderij die het nu al zwaar heeft en het nog veel zwaarder krijgt. De melkveehouderij kan – op een kleine groep na – niet op tegen de economische kracht van akkerbouwers, varkenshouders en industrie.’
Dus nogmaals: overheidssturing is onontbeerlijk?
‘Ja, dat denk ik wel. We kunnen wel zeggen: ‘Oh de melkveehouderij is zo belangrijk want we willen weidende koeien; want we koesteren de productie van zuivel’. Maar daarmee hebben we het niet opgelost. Er zal iets van regie gepakt moeten worden om te zorgen dat hiervoor dan ook familiebedrijven overblijven en niet louter de groep van 10 tot 20% meest kapitaalkrachtige grootschalige bedrijven.’
En hoe kun je dat dan regelen?
‘Er ligt nu een conceptrapport van de SER om tot een soort nieuwe productschappen te komen. De naam productschappen is besmet en zou ik niet voor pleiten, maar wel hoe ze kunnen werken: dat je los van de overheid, maar wel met volledig mandaat, zaken zoals doelsturing echt geborgd kan opzetten en effectueren. Op zo’n manier kun je regelen dat aantoonbaar goed presterende familiebedrijven ook bestaansrecht houden. Nu is het wildwest en afwachten wie het het langste volhoudt, financieel en mentaal. Waarvan je je weer af kunt vragen of je dat erg vindt.’
‘Er zal iets van regie gepakt moeten worden om ook nog familiebedrijven over te houden’
En vind jij en het NAJK dat erg?
‘Ja, zeker weten. Ik zie heel veel passie bij jonge boeren. Voor enige krimp van de sector ben ik niet bang, maar ik geloof oprecht dat de melkveehouderij veel waarde toevoegt aan de maatschappij; zowel economisch als sociaal-cultureel. Dat komt door alles wat is opgebouwd decennialang, maar ook doordat onze melkveehouders een bovengemiddelde drive en passie hebben. Over 30 tot 40 jaar moeten we terug kunnen kijken en stellen dat we in deze periode gezorgd hebben dat er nog een gezonde melkveesector over is. Dat is een vergezicht waar ik graag voor strijd.’

(Dit artikel is geschreven voor magazine Agrarische Schouw wat vanaf 15-9-2026 is verspreid onder melkveehouders in het noordelijke deel van Nederland)

































