Toegegeven, het was hier en daar best een uitdagend voorjaar. Muizen die flink huis hielden op meerdere percelen, ganzenvraat die toenam en langer aanhoudt, een flink lagere melkprijs en net iets langer droog weer dan je zou hopen in april en mei. Toch hoor je daar weinig melkveehouders over klagen. Dit soort zaken hoort er grotendeels bij; ze zijn onderdeel van de uitdagingen die het vak met zich meebrengt.
Wat de melkveehouder veel meer plaagt, is politieke regelgeving met onomkeerbare impact op de bedrijfsvoering. Het verlies van de derogatie is hiervan het meest pijnlijke voorbeeld. Pijnlijk ook omdat Ierland wel de derogatie wist te behouden en ons land dus niet. Recent verdiepte ik mij er beter in hoe dat toch kan. Natuurlijk is zoiets altijd een combinatie van factoren, maar een belangrijke reden is dat zij hun eutrofiëring – hoe schoon het oppervlaktewater is – zelf via een wettelijk vastgestelde methode monitoren. Nederland doet dat al jaren niet en laat de monitoring over aan de rekenmethodiek van Brussel. Dit is al jaren bekend en het is overduidelijk dat onze scores hierdoor meestal negatiever uitkomen dan de werkelijkheid. Waarom Nederland dat al jaren niet zelf oppakt, is mij nog altijd een raadsel. En eigenlijk ook wel een beetje gekmakend.
Gekmakend is het bij tijd en wijle ook wanneer je het stikstofdossier volgt. Met als recent dieptepunt de aanpak rond het rapport ‘Van verwarring naar verbinding’. Zes maanden werkten acht vooraanstaande expert op dit gebied – een aantal verbonden aan Wageningen UR en vrij van de mogelijke smet van vooringenomenheid of partijdigheid – aan dit rapport. Ik denk dan: de politiek is reuzeblij en omarmt de aanbevelingen met graagte. Is dat ook zo? Tot op heden wijst weinig daarop.
Wellicht dat minister Van Essen en premier Jetten ons binnenkort met hun kamerbrief positief verrassen. Bijvoorbeeld door te tonen dat zij wel degelijk echt de aanbevelingen uit het wetenschappelijke en praktische veld ter harte nemen. Ik verwacht dat echter niet. Boeren en plattelandsbewoners mogen daarover soms een ander beeld hebben, maar het overgrote deel van de stemmers woont inmiddels in stedelijke gebieden. Zij delen de opvatting die al langer leeft binnen de meerderheid van de politiek en samenleving: de maatschappelijke kosten die de agrarische productie met zich meebrengt – zij wijzen daarbij onder andere op mestoverschotten, milieu-impact en landschapsverandering – wegen bij lange na niet op tegen de voordelen die de agrarische sector – en dan vooral de veehouderij – het land brengt. Om die reden is krimp van de veestapel een instrument wat hoe dan ook ingezet wordt. Daarmee gaan wij Denemarken achterna (zie het artikel op pagina’s 46 t/m 49). Dat is een land waar agrarische productie ooit ook leidend was; sociaal en economisch gezien. In Denemarken is dat al lang niet meer zo en ook in Nederland kalft het belang al jaren af.
Voor melkveehouders is het zaak om geen ijdele hoop meer te koesteren dat de politiek hierin wel bijdraait. Het is zaak om je eigen pad te vinden – zie het voorbeeld van enkele jonge boeren vanaf pagina 14 – in een samenleving die de toonaangevende agrarische exportnatie niet langer wil nastreven.
In december afgelopen jaar werd Frau Antje 65 jaar. Nog altijd staat zij symbool voor de landbouwsector die in Nederland na de 2e wereldoorlog is opgebouwd. Alles wijst erop dat de kamerbrief die binnenkort uitkomt, de definitieve aanzet wordt om haar de komende jaren de ‘klas uit’ en richting haar pensioen te dirigeren.
Sjoerd Hofstee


































