Het veen moet natter om bodemdaling af te remmen en CO₂-uitstoot te verlagen. Een constatering met verstrekkende gevolgen voor de boeren in het gebied. Wat voor hen de concreet merkbare gevolgen worden? Dat blijft grotendeels onduidelijk.

Gedeputeerde Douwe Hoogland van Provinsje Fryslân, dagelijks bestuurder Jan van Weperen van Wetterskip Fryslân en wethouder Roel de Jong van de gemeente
De Fryske Marren (namens alle veenweidegemeenten) presenteerden op woensdag 4 november het ontwerp-veenweideprogramma ‘Foarút ei de Fryske Feangreiden’. Het is
het resultaat van jarenlang praten, onderzoeken, afwegen, rapporten schrijven en weer praten.

Complexe materie

Het gaat dan ook om een complexe materie die al jarenlang de gemoederen in het veenweidegebied bezighoudt. Verlaging van het waterpeil zorgde voor beter bewerkbare en renderende landbouwgrond, maar ook voor het sneller oxideren van het veen en daarmee een sneller zakkende bodem. Met als gevolg dat er steeds meer (dure) ingrepen nodig zijn om het peil voor de landbouw acceptabel te houden, maar ook om natte natuurgebieden voor verdroging te behoeden en de fundering van dijken, wegen en woningen niet aan te tasten.
Bovendien gaat het niet meer alleen om bodemdaling, maar zorgt oxidatie van veen ook voor CO₂-uitstoot die moet worden beperkt. En de waterbuffer van het Friese veenweidegebied speelt een belangrijke rol in de zoetwaterhuishouding in een veel groter
gebied. Wat betekent dit voor de circa 900 boeren in het Friese veenweidegebied?

Om de doelen – minder bodemdaling en minder CO₂-uitstoot – te kunnen halen, is vernatting van het veen nodig. Dat kan met begreppeling en bodemmaatregelen, maar zeker ook met een hoger waterpeil. Concreet gaat het om een waterpeil van 40 centimeter
in het hele veenweidegebied. 40 centimeter als richtgetal Maar wel met nuance, benadrukt
waterschapsbestuurder Jan van Weperen. ‘Het is zeker niet zo dat het gebied teruggaat naar de situatie van veertig jaar geleden voordat de ruilverkavelingen kwamen. Die 40
centimeter is een richtgetal, geen vaststaand iets. Het kan op de ene plek 30 centimeter zijn en op een andere plek 50. We gaan dat met flexibel peilbeheer sturen. Door te anticiperen op het weer, de app Boeren Meten Water en het principe ‘hoog als het
kan, laag als het moet’.’ Wie bepaalt dan wat kan en wat moet?
‘Dat moet je aan een gebied zelf overlaten. Boeren en rayonbeheerders
van het waterschap kunnen dat prima zelf regelen, dat heeft de afgelopen droge zomer ook uitgewezen. Toen is het peil op sommige plekken flink verhoogd zonder dat er commentaar
op kwam.’

Het principe ‘hoog als het kan, laag als het moet’ moet leidend worden voor het waterpeil in het veenweidegebied. Foto’s: Ida Hylkema

Grondwaardedaling

Feit is dat een streefpeil van 40 centimeter een forse ingreep is in polders waar nu nog kan worden gewerkt met peilen van 60, 70 en soms wel 90 centimeter, erkennen alle betrokken bestuurders. De opbrengst daalt, maar ook de waarde van de grond. En dat moet worden
gecompenseerd.
Het woord ‘perspectief voor de landbouw’ komt in alle stukken, rapporten en reacties voor. ‘Wij laten de boeren niet verzuipen’, zegt Jan van Weperen met klem. Dat perspectief krijg je niet met een zak met geld als compensatie voor de opbrengstderving en waardedaling van de grond, stelt voorzitter Geart Benedictus van de gezamenlijke boerenorganisaties. ‘We willen geen geld, maar maatregelen. Daar hameren vooral de jonge boeren op: ze willen perspectief. Kun je in het veenweidegebied blijven boeren, dat is onze insteek.’
De belangrijkste voorwaarde voor de boeren is grond. Benedictus: ‘Zonder een goed functionerende grondbank doen we niet mee. Grond waarop je door peilverhoging minder goed kunt boeren, wordt afgewaardeerd en gecompenseerd met goede grond. De afgewaardeerde grond houdt wel een agrarische bestemming en kan extensief worden gebruikt.’
Provinsje Fryslân werkt momenteel aan een provinciale grondbank, bevestigt gedeputeerde Douwe Hoogland. ‘We inventariseren welke grond we als provincie hebben en hoe we die
kunnen inzetten en we brengen in kaart welke grond andere partijen hebben die
mogelijk ook kan worden ingezet. Denk bijvoorbeeld aan natuurorganisaties, beleggers en kerken. Daarnaast hebben we € 23,5 miljoen beschikbaar voor strategische aankoop van grond.’

Gebiedsgerichte aanpak
De gebiedsgerichte aanpak wordt niet meteen in het hele Friese veenweidegebied toegepast. Allereerst wordt gekeken naar het gebied met veen dikker dan 80 centimeter, zonder kleidek of met een kleidek dunner dan 40 centimeter. Dit is bijna 28.000 hectare van de ruim 68.000 hectare die is ingekleurd. In De Hege Warren bij Oudega (Sm) en het gebied Aldeboarn-De Deelen wordt al gewerkt aan een gebiedsplan en hier wordt de komende tijd vol op ingezet. In vier andere kerngebieden (Idsegea, Brekkenpolder, Groote
Veenpolder en Grouster Leechlân) worden ook mogelijkheden verkend, maar hier is het wachten op geld om concrete stappen te kunnen zetten. In 2022 moet hier duidelijkheid over zijn; voor de rest van het veenweidegebied geldt 2026 als ijkpunt.
Het ontwerp-veenweideprogramma is te vinden op www.veenweidefryslan.frl. Inspraak is mogelijk tot 30 december. Het komende voorjaar wordt het definitief vastgesteld door Provinciale Staten en het Algemeen Bestuur van Wetterskip Fryslân.

Zoeken naar verdienmodellen

Met extra grond, bedrijfsverplaatsingen en kavelruil kan waardedaling van de grond worden opgevangen, maar voor perspectief is meer nodig. Hoe kan een boer in het veenweidegebied ook in de toekomst zijn boterham blijven verdienen? De belangrijkste
inkomstenbron blijft de melk, zeggen Hoogland en Van Weperen stellig. Hoogland: ‘We kijken hoe we aanvullende afspraken kunnen maken met verwerkers en supermarkten,
gericht op dit gebied. Maar we zitten momenteel aan tafel met veel meer partijen, van LNV tot banken. Onder meer om de mogelijkheden van een veenweidefonds te onderzoeken.’
Ook het nieuwe Gemeenschappelijke Landbouwbeleid (GLB) biedt wellicht extra mogelijkheden, stellen beide bestuurders. In combinatie met weidevogelbeheer bijvoorbeeld, maar ook in combinatie met CO₂-opslag. Die laatste mogelijkheid is een
interessante en moet verder worden uitgewerkt, vindt Van Weperen. De Friese Milieufederatie (FMF) heeft met het project Valuta voor Veen hier al een voorschot op genomen.

Haags geld nodig

De ambities en plannen zijn er, nu nog het geld om ze te realiseren. Want dat – of beter gezegd: het ontbreken daarvan – zorgt nog voor veel open einden in het veenweideprogramma en daarmee onzekerheid in de regio.
Het uitvoeren van het hele programma – 68.000 hectare tussen nu en 2030 – kost € 550 miljoen. Daarvan is € 66 miljoen gedekt met geld van provincie, waterschap en uit landelijke regelingen. Met dit geld wordt de gebiedsgerichte aanpak van De Hege Warren en Aldeboarn-De Deelen gefinancierd en verschillende pilots die kennis en ervaring moeten opleveren die weer kunnen worden gebruikt in de gebieden die later worden aangepakt.
‘Er is veel te weinig geld’, erkent Van Weperen. ‘Het gaat dan ook om een enorme opgave die de financiële reikwijdte van de regio ver te buiten gaat. Dit geld heeft Friesland niet en dat kan ook niet van ons worden verwacht. De CO₂-reductie is een nationale opgave en moet ook nationaal worden betaald.’
‘Een gebied kan pas worden ingericht, als er geld voor is’, stelt Hoogland. ‘Maar als er goede plannen liggen, is het gemakkelijker om aan geld te komen. In 2022 is er een ijkmoment en kijken we waar we staan en wat sneller kan en wat minder snel. Dan kan bijvoorbeeld ook de volgorde van aanpak van gebieden veranderen.’

Schaduwwerking

Die gefaseerde en gebiedsgerichte aanpak is prima, zegt Benedictus, maar ondertussen ligt er al wel een plan voor het hele veenweidegebied waar een schaduwwerking vanuit gaat. Van de ingekleurde kaart van 68.000 hectare kan een groot deel worden uitgegumd,
vindt hij. ‘Knip het programma in stukken en ga nu eerst aan de slag in de kansrijke gebieden.’ Waar de betrokkenen het wel over eens zijn, is dat er moet worden
samengewerkt en dat het roer in Friese handen moet blijven. Een aanpak van onderop en gebiedsgericht duurt langer, maar zorgt voor draagvlak in het gebied. Maar de tijd dringt. Niet alleen wat de veenafbraak betreft, maar ook het geduld raakt op. Van de boeren en
bewoners van het veenweidegebied, maar ook van politici die daadkracht willen tonen. ‘We proberen de aanpak van ons veenweidegebied zo lang mogelijk uit Rijkshanden te houden’,
zegt Hoogland. ‘Maar dan moeten we wel wat laten zien. We hebben nu een plan dat alles in zich heeft en waarvan we kunnen zeggen: dit hebben we, helpen jullie ons met de financiering.’

‘Bank vraagt om een businessplan’
Berend Mulder (45) heeft een melkveebedrijf van 92 melkkoeien en 52 hectare, waarvan 45 hectare veen, in Haskerdijken. Hij zit namens de boeren in de stuurgroep Aldeboarn-De
Deelen. ‘We zijn al jaren aan het praten, het wordt tijd dat er duidelijkheid komt voor de boeren. Er is maatwerk nodig voor elke boer. Niet iedereen kan bijvoorbeeld extensiveren of meedoen aan weidevogelbeheer.’ Wat betekent een hoger waterpeil concreet voor zijn bedrijf? ‘Als het peil naar 40 centimeter gaat, gaat de waarde van de grond naar beneden en kan ik er minder opbrengst afhalen. En ik loop de weidegangpremie mis, want het weideseizoen wordt te kort. De koeien kunnen in het voorjaar later naar buiten en moeten in het najaar eerder naar binnen.’
Voor de melkveehouder is een goede compensatie van cruciaal belang. Want de bank heeft zekerheid nodig om het bedrijf te willen blijven financieren. De waardedaling van zijn grond wil hij daarom gecompenseerd zien in goede grond elders, zodat het bedrijf voldoende onderpand houdt. ‘De bank vraagt om een businessplan, maar dat kan ik nu nog niet maken. Daarvoor hebben we duidelijkheid en perspectief nodig. We zijn de vierde generatie op deze boerderij en ons hart ligt in deze omgeving. We begrijpen dat er iets moet
gebeuren en willen daar ook aan meewerken. Maar dat moet wel mogelijk zijn.’
‘De daling van het veenweidegebied is een maatschappelijk probleem en daar moet ook een maatschappelijke oplossing voor worden gevonden. Wij boeren zijn de oplossing van het CO₂-probleem. Veertig jaar geleden waren boeren nodig voor de voedselvoorziening, nu zijn de boeren nodig voor CO₂-reductie. Dan mag je de rekening niet bij de boeren in de schoenen schuiven.’